JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4402Middel38/100

Schuldhulpverlening ten onrechte beëindigd: college teruggefloten

ECLI:NL:RVS:2026:4402, Raad van State, 29-07-2026, 202503535/1/A2

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202503535/1/A2

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 5 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen de aan [appellante] verleende schuldhulp beëindigd. [appellante] is met ingang van 1 januari 2018 toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Zij had op dat moment een schuld van € 11.655,23. De tien schuldeisers zijn akkoord gegaan met het plan dat [appellante], tegen finale kwijting, in drie jaar tijd 14,88% van de schuld aflost. In het eerste jaar heeft [appellante] € 600,00 afgelost en in het tweede jaar € 612,00. Over het derde jaar zou zij nog € 477,00 moeten aflossen. De rechtbank heeft in uitspraak van 30 mei 2025 overwogen dat het college met de aanvullende motivering in de brief van 27 februari 2025 nog steeds geen objectief onderbouwd overzicht heeft overgelegd van de schulden van [appellante] per 7 juli 2020 en per 5 november 2020.

Kern van de zaak

Een vrouw nam deel aan een schuldhulpverleningstraject op grond van de Wgs. Het college van Amstelveen beëindigde dit traject in 2020 op basis van nieuwe schulden, zonder deugdelijk onderzoek naar de aard en omvang daarvan. Na meerdere beslissingen en rechterlijke procedures ging appellante in hoger beroep bij de Raad van State.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is gegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand werden gelaten en geen proceskosten werden toegekend, en herroept het oorspronkelijke beëindigingsbesluit van 5 november 2020. Doorslaggevend is dat het college onvoldoende heeft onderzocht welke nieuwe schulden waren ontstaan en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze – mogelijk slechts een maand huurachterstand – de beëindiging rechtvaardigden.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande beginselen van zorgvuldigheid en motivering in het bestuursrecht en de Wgs-praktijk, maar stelt geen nieuwe rechtsregels. De maatschappelijke relevantie voor schuldhulpverlening is reëel, maar de uitspraak heeft een beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare casuïstiek.

Belangrijkste punten

  • 1Beëindiging schuldhulpverleningstraject vereist deugdelijk onderzoek naar de aard en omvang van nieuwe schulden.
  • 2Het college motiveerde de beëindiging onvoldoende: een enkele maand huurachterstand rechtvaardigt niet zonder meer beëindiging van de schuldhulpverlening.
  • 3Na herhaalde bestuurlijke en rechterlijke rondes herroept de Afdeling het oorspronkelijke besluit van 5 november 2020 definitief.
  • 4De Afdeling kent alsnog proceskosten toe aan appellante, die de rechtbank ten onrechte had geweigerd.
  • 5Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat beëindiging van schuldhulpverlening op grond van de Wgs een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering vereist, waarbij het college concreet moet onderbouwen waarom nieuwe schulden de continuering in de weg staan. Herroeping door de Afdeling zelf geeft aan dat het college geen speelruimte meer heeft.

Praktische impact

Appellante behoudt in beginsel aanspraak op de voltooiing van het schuldhulpverleningstraject en ontvangt schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn, naast een vergoeding van proceskosten. Voor de gemeente Amstelveen betekent dit dat zij de schade en kosten moet dragen van een jarenlang onrechtmatig volgehouden beëindiging.

Onderwerp-impact

Gemeenten die schuldhulpverlening aanbieden op grond van de Wgs moeten bij beëindiging aantoonbaar onderzoeken welke nieuwe schulden zijn ontstaan en motiveren waarom deze de voortzetting onmogelijk maken; een summiere of ongedocumenteerde verwijzing naar 'nieuwe schulden' volstaat niet.

Samenvatting

Deze zaak draait om de vraag of het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen de schuldhulpverlening van een vrouw rechtsgeldig mocht beëindigen op grond van het ontstaan van nieuwe schulden. Appellante was in 2018 toegelaten tot een driejarig schuldhulpverleningstraject onder de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, waarbij tien schuldeisers hadden ingestemd met finale kwijting na aflossing van circa 15% van een schuld van ruim elfduizend euro. Na opheffing van beschermingsbewind en vrijwillig budgetbeheer besloot het college in november 2020 het traject te beëindigen wegens nieuwe schulden in vaste lasten en aflossingen, zonder echter concreet te onderzoeken welke schulden dat waren en of deze de beëindiging rechtvaardigden. De rechtbank Amsterdam stelde in 2022 vast dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Na een hernieuwd besluit en een tussenuitspraak in januari 2025 bleef de gemeente bij haar standpunt, maar liet de rechtbank in mei 2025 de rechtsgevolgen alsnog in stand en kende geen proceskosten toe. Appellante ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten en geen proceskosten zijn toegekend. Vervolgens herroept de Afdeling het oorspronkelijke beëindigingsbesluit van 5 november 2020 zelf. De kern van het oordeel is dat het college nooit heeft onderzocht welke nieuwe schulden daadwerkelijk waren ontstaan, en niet heeft gemotiveerd waarom – in het geval het slechts een maand huurachterstand betrof – beëindiging proportioneel was. Bovendien wordt de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen, gezien de lange duur van de procedure.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 30 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied