Raad van State bevestigt: vragenlijst BRP geen besluit
ECLI:NL:RVS:2026:4397, Raad van State, 29-07-2026, 202504666/1/A3 en 202504666/2/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij brief van 20 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt zijn adresgegevens in de basisregistratie personen (brp) te wijzigen. Het college heeft op 20 januari 2022 aan [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt zijn adresgegevens in de brp te wijzigen in een briefadres. Uit onderzoek was het college namelijk gebleken dat [appellant] niet langer woonde op het adres [locatie 1] in Purmerend. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het woonadres van [appellant] gewijzigd in het briefadres [locatie 2] in Purmerend. Op 30 september 2022 heeft het college aan [appellant] verzocht een vragenlijst in te vullen om vast te stellen of hij nog steeds ingeschreven kan blijven staan op het briefadres. Bij het besluit van 14 maart 2023 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van de zaak
Het college van Purmerend wijzigde in 2022 het woonadres van appellant in de BRP naar een briefadres. Appellant maakte bezwaar tegen een verzoekbrief om een vragenlijst in te vullen en stelde hoger beroep in bij de Raad van State na ongegrondverklaring door de rechtbank.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst zowel het hoger beroep als het verzoek om voorlopige voorziening en schadevergoeding af. De doorslaggevende reden is dat de brief van 30 september 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb, omdat deze niet gericht is op een rechtsgevolg.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen bestaande jurisprudentie over het besluitbegrip en heeft geen nieuwe rechtsontwikkeling tot gevolg. De zaak is feitelijk en procedureel van beperkte reikwijdte.
Belangrijkste punten
- 1Een verzoekbrief om een vragenlijst in te vullen ter vaststelling van verblijfplaats is geen besluit ex artikel 1:3 Awb.
- 2Zonder besluit is bezwaar niet-ontvankelijk en staat geen bestuursrechtelijke rechtsgang open.
- 3De brief maakt geen onderdeel uit van een toekomstig te nemen besluit, zoals appellant betoogde.
- 4Beroep tegen het voornemen van 20 januari 2022 en het besluit van 18 februari 2022 werd ambtshalve niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank.
- 5Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen nu geen onrechtmatig besluit is vastgesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat informatieve of preparatoire bestuursbrieven zonder rechtsgevolg niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Dit onderstreept het besluitbegrip van artikel 1:3 Awb als toegangspoort tot de bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat zijn briefadresregistratie in de BRP niet via deze weg ter discussie kan worden gesteld en dat hij geen schadevergoeding ontvangt. Gemeenten worden bevestigd in hun bevoegdheid om vragenlijsten voor BRP-onderzoek te versturen zonder dat dit direct aanvechtbaar is.
Onderwerp-impact
In het kader van de BRP-registratie verduidelijkt deze uitspraak dat bestuurlijke correspondentie gericht op informatieverzameling geen rechtsbescherming opent, wat relevant is voor gemeenten die adresonderzoek uitvoeren.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de vraag of een brief van het college van Purmerend van 30 september 2022, waarin appellant werd verzocht een vragenlijst in te vullen over zijn verblijfplaats ten behoeve van zijn inschrijving op een briefadres in de Basisregistratie Personen (BRP), kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De achtergrond van de zaak is als volgt. Het college had in februari 2022 het woonadres van appellant gewijzigd in een briefadres nadat uit onderzoek was gebleken dat hij niet meer woonde op zijn ingeschreven adres. Vervolgens stuurde het college in september 2022 een vragenlijst om te beoordelen of appellant op het briefadres ingeschreven kon blijven. Appellant maakte bezwaar, dat het college niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde ook het beroep tegen het voornemen en het besluit van februari 2022 ambtshalve niet-ontvankelijk. In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de rechtbank volledig. De brief van 30 september 2022 is uitsluitend een informatief verzoek gericht op feitenverzameling en heeft geen rechtsgevolg. Daarmee voldoet zij niet aan de definitie van een besluit ex artikel 1:3 Awb. Het betoog van appellant dat de brief onderdeel uitmaakt van een toekomstig te nemen besluit wordt verworpen. Nu er geen appellabel besluit voorligt, was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek om schadevergoeding worden eveneens afgewezen. De uitspraak is een bevestiging van de vaste bestuursrechtelijke lijn rondom het besluitbegrip.