Wrakingsverzoek gericht tegen gehele Afdeling buiten behandeling
ECLI:NL:RVS:2026:4372, Raad van State, 27-07-2026, 202502716/2/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij mailbericht, ingekomen op 20 juli 2026, heeft [verzoeker] een wrakingsverzoek ingediend in zaak nr. 202502716/1/R4. [verzoeker] stelt in zijn wrakingsverzoek: "Hierbij wraak ik uw gerecht wegens opzettelijk en zonder gronden weigeren van mijn (gemachtigde) verhinderdata tot 2x toe in aanmerking te nemen. Dit terwijl u voorafgaand aan de planning geen verhinderdata hebt opgevraagd". Dat belet volgens hem zijn toegang tot de rechter en wekt de schijn van partijdigheid. Hij stelt verder: "Ik heb geen vertrouwen in uw gerecht". De Afdeling laat het verzoek om wraking buiten behandeling. Het verzoek heeft namelijk niet specifiek betrekking op de persoon van de staatsraad die belast is met de behandeling van het hoger beroep van verzoeker.
Kern van de zaak
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, omdat zijn verhinderdata tweemaal niet in aanmerking zouden zijn genomen bij de zittingsplanning. Hij richtte zijn verzoek niet tegen een specifieke staatsraad, maar tegen 'uw gerecht' als geheel.
Beslissing van de rechter
Het wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gelaten. De doorslaggevende reden is dat het verzoek gericht is tegen de gehele Afdeling als college en niet tegen de persoon van de specifiek met de zaak belaste staatsraad, wat op grond van vaste rechtspraak en de Wrakings- en verschoningsregeling een vereiste is voor ontvankelijkheid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig in een vaste en breed bekende rechtspraktijk rond wraking en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe; de toepassing is routinematig en betreft een processuele beslissing zonder inhoudelijke beoordeling.
Belangrijkste punten
- 1Een wrakingsverzoek moet betrekking hebben op de persoon van de rechter die de zaak behandelt, niet op het college als zodanig (art. 8:15 Awb).
- 2Op grond van artikel 3 lid 4 onder c en d Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 kan de wrakingskamer zonder zitting beslissen het verzoek niet in behandeling te nemen.
- 3Het herhaalde gebruik van de term 'uw gerecht' leidt tot de conclusie dat het verzoek tegen de gehele Afdeling is gericht en niet tegen een individuele staatsraad.
- 4Vaste rechtspraak van de Afdeling (o.a. ECLI:NL:RVS:2019:1511) bevestigt dat wrakingsgronden persoonsgebonden moeten zijn.
- 5Klachten over zittingsplanning en het niet opvragen van verhinderdata kwalificeren in deze context niet als grond voor individuele wraking.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat wraking een persoonsgebonden rechtsmiddel is en niet kan worden ingezet als collectieve klacht tegen een rechterlijk college. Dit begrenst de reikwijdte van artikel 8:15 Awb op een voor de praktijk bevestigde wijze.
Praktische impact
Voor verzoeker betekent dit dat de hoofdzaak (hoger beroep 202502716/1/R4) gewoon doorloopt zonder verdere vertraging door de wrakingsprocedure. Partijen die ontevreden zijn over planningsbeslissingen dienen daartegen langs andere wegen bezwaar te maken.
Onderwerp-impact
Voor procedures bij de overheidsrechter onderstreept dit dat procedurele klachten over zittingsplanning niet via wraking kunnen worden aangevochten, maar via separate klacht- of bezwaarprocedures.
Samenvatting
Op 20 juli 2026 diende verzoeker een wrakingsverzoek in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in het kader van een lopende hogerberoepsprocedure (zaaknr. 202502716/1/R4). De aanleiding was de stelling dat zijn verhinderdata tweemaal niet in aanmerking waren genomen bij de zittingsplanning, terwijl deze ook niet waren opgevraagd. Verzoeker meende dat dit zijn toegang tot de rechter belemmerde en de schijn van partijdigheid wekte. Hij formuleerde zijn verzoek echter uitdrukkelijk als gericht tegen 'uw gerecht', waarmee hij de gehele Afdeling aansprak en niet een specifieke staatsraad. De juridische vraag was of het wrakingsverzoek ontvankelijk is wanneer het zich richt tegen het rechterlijk college als geheel in plaats van tegen de individueel met de zaak belaste rechter. De wrakingskamer laat het verzoek buiten behandeling zonder zitting, op grond van artikel 3 lid 4 onder c en d van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022. De wrakingskamer overweegt dat artikel 8:15 Awb vereist dat een wrakingsverzoek betrekking heeft op de persoon van de rechter die de zaak behandelt. Gelet op de formulering van het verzoek — met name het herhaalde gebruik van 'uw gerecht' — is het verzoek gericht tegen de Afdeling als zodanig. Dit is in strijd met de vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals neergelegd in onder meer ECLI:NL:RVS:2019:1511, die bevestigt dat wrakingsgronden persoonsgebonden dienen te zijn. De beslissing is daarmee een bevestiging van een gevestigde processuele norm en heeft geen verdere inhoudelijke of richtinggevende betekenis.