Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting tijdens hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4366, Raad van State, 27-07-2026, BRS.26.003854
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om niet te worden uitgezet hangende zijn hoger beroep. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen. De minister van Asiel en Migratie is de wederpartij.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is dat de aangevoerde omstandigheden een voorlopige voorziening rechtvaardigen conform vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is geheel conform bestaande jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst totdat op hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen mede onderdeel van het verzoek
- 3Beslissing gebaseerd op vaste lijn Afdeling (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; inhoudelijk oordeel over hoger beroep volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen de gevestigde lijn van de Afdeling waarbij bij twijfel over rechtmatigheid van uitzetting een schorsende werking wordt verleend; zij voegt geen nieuwe rechtsregel toe maar bevestigt bestaande praktijk.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op proceskosten vergoeding; de minister mag niet tot uitzetting overgaan zolang het hoger beroep loopt.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt dit type voorlopige voorziening een tijdelijke maar cruciale bescherming tegen gedwongen terugkeer gedurende de beroepsprocedure.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening hangende zijn hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Zijn verzoek strekte er primair toe dat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en voorts dat hij recht zou hebben op opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter oordeelt dat, gelet op de door verzoeker aangevoerde omstandigheden, een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. Hij verwijst daartoe naar de vaste lijn van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond hiervan wordt bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft een beperkte juridische reikwijdte: zij voegt geen nieuwe rechtsregels toe maar past de bestaande jurisprudentie toe in een individueel geval. Het inhoudelijke geschil — de rechtmatigheid van de beslissing van de minister — wordt in de hoger beroepsprocedure ten gronde beoordeeld. Voor de vreemdeling betekent deze beslissing echter concrete rechtsbescherming: hij is voorlopig gevrijwaard van gedwongen terugkeer. De zaak illustreert het belang van de voorlopige-voorzieningenprocedure als waarborg in vreemdelingenrechtelijke procedures waar uitzetting onherstelbare gevolgen kan hebben.