Vreemdeling krijgt voorlopige voorziening tegen uitzetting
ECLI:NL:RVS:2026:4361, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003651
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en een verzoek van verzoeker om bestuurlijke heroverweging van de besluiten over zijn zes eerdere asielaanvragen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitzetbeslissing en tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Hij vroeg om schorsing van de uitzetting en om opvang en verstrekkingen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is dat gelet op hetgeen is aangevoerd een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is, conform de vaste lijn van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele voorlopige voorziening zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is sterk casusgericht en bevestigt enkel bestaande vaste jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst tot beslissing op het hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen maakt deel uit van het verzoek
- 3Toepassing van vaste jurisprudentie RvS (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; inhoudelijk oordeel volgt in hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake het treffen van voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken hangende hoger beroep. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende de hoger beroepsprocedure. De minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt dit type uitspraak betrokkenen een tijdelijke rechtsbescherming die hen in staat stelt de uitkomst van hun hoger beroep in Nederland af te wachten.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening aangevraagd, gelijktijdig met het instellen van hoger beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. De vreemdeling verzocht om schorsing van de uitzetting in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, alsmede om toekenning van opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De juridische vraag was of er voldoende gronden bestonden om de uitzetting tijdelijk te schorsen, zodat de vreemdeling de uitkomst van het hoger beroep in Nederland kan afwachten zonder onomkeerbare gevolgen te ondervinden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen. Onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457) oordeelt de voorzieningenrechter dat gelet op hetgeen is aangevoerd een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. Concreet houdt dit in dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft een puur procedureel karakter en stelt geen nieuwe rechtsregels. Zij bevestigt de bestaande praktijk waarbij de Afdeling in spoedeisende vreemdelingenzaken bereid is uitzetting te schorsen hangende hoger beroep. Voor de vreemdeling betekent dit een tijdelijke maar wezenlijke bescherming tegen gedwongen vertrek en een waarborg van opvang gedurende de lopende procedure.