JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4341Middel38/100

RvS wijst verzoek af: bezwaar grensoverschrijdend afvaltransport Finland terecht

ECLI:NL:RVS:2026:4341, Raad van State, 27-07-2026, 202601646/1/R4

Raad van StateUitspraak: 27 juli 2026Publicatie: 24 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:202601646/1/R4
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Omgevingsrecht
Vergunningen
Milieu
Energie
Evoa
Recycling
Afvaltransport
Non Ferrometalen
Bodemkwaliteit

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 6 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat krachtens de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat van Finland naar Nederland. Overdie Fines is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het recyclen van non-ferrometalen uit afvalstoffen. Overdie Fines wil 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat afnemen van NG Nordic Finland Oy. Het concentraat is een mengsel van non-ferrometalen, mineralen en slib. Dit mengsel is afkomstig uit bodemassen. Bodemassen komen vrij bij de verbranding van afval in afvalenergiecentrales en bevatten verschillende stoffen zoals ferro- en non-ferrometalen en mineralen die nuttig toegepast kunnen worden. NG Nordic zeeft, maalt en scheidt bodemassen in verschillende fracties zoals het non-ferroconcentraat. Overdie Fines heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2026. Zij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening, omdat de geplande overbrenging en verwerking van het concentraat niet kunnen beginnen als gevolg van het besluit.

Kern van de zaak

Overdie Fines (Alkmaar) wil 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat importeren uit Finland via NG Nordic. De staatssecretaris maakte bezwaar tegen deze grensoverschrijdende overbrenging omdat de mineralenfractie niet voldoet aan de vereiste normen (BRL 2307-2) en betrokken bedrijven geen erkennning hebben. Overdie Fines vroeg een voorlopige voorziening om het bezwaar te schorsen.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Doorslaggevend is dat de staatssecretaris terecht bezwaar heeft gemaakt op grond van artikel 12 EVOA, omdat de mineralenfractie niet wordt verwerkt conform de verplichte BRL 2307-2 norm en de betrokken verwerkers Kok Lexmond en Reststoffen Centrale Alkmaar niet beschikken over de vereiste erkenning.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft voorlopig karakter en betreft een specifieke importketen, maar raakt een relevante afwegingsvraag over EVOA-toepassingsvereisten en erkenningsplichten in de recyclingketen die voor meerdere partijen in de sector relevant is.

Belangrijkste punten

  • 1De overbrenging van non-ferrometaalconcentraat van Finland naar Nederland is een kennisgeving onder de EVOA (Verordening 1013/2006).
  • 2De staatssecretaris heeft op grond van artikel 12 lid 1 sub b EVOA bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen 180 overbrengingen.
  • 3Kern van het geschil is de vraag welk normdocument van toepassing is: BRL 2506-2 (zoals Overdie Fines stelt) of BRL 2307-2 (zoals de staatssecretaris vereist).
  • 4Kok Lexmond B.V. en Reststoffen Centrale Alkmaar B.V. beschikken niet over de vereiste erkenning ex artikel 9 lid 1 Besluit bodemkwaliteit.
  • 5Het oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de bodemrechter niet.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij grensoverschrijdende afvaloverbrengingen strikt de juiste sectorale normdocumenten en erkenningen moeten worden aangetoond voordat import is toegestaan. Het biedt steun voor de handhavingspositie van de staatssecretaris onder de EVOA bij ontbrekende erkenningen.

Praktische impact

Overdie Fines kan de geplande import van 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat voorlopig niet uitvoeren, wat haar recyclingactiviteiten en de keten van betrokken bedrijven verstoort totdat de bodemzaak is beslist of aan de normen wordt voldaan.

Onderwerp-impact

Voor de recycling- en afvalsector onderstreept deze uitspraak het belang van het vooraf verkrijgen van de juiste erkenningstatus en het naleven van de specifiek van toepassing zijnde BRL-normen bij grensoverschrijdend afvaltransport vanuit EU-lidstaten.

Samenvatting

Deze zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend door of namens Overdie Fines tegen een besluit van de staatssecretaris van 6 mei 2026. Overdie Fines is een Alkmaars bedrijf dat gespecialiseerd is in het recyclen van non-ferrometalen uit afvalstoffen. Het wilde 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat afnemen van het Finse bedrijf NG Nordic Finland Oy, afkomstig uit bodemassen die vrijkomen bij afvalverbranding. NG Nordic had een kennisgeving gedaan voor 180 overbrengingen van Finland naar Nederland in de periode 2026-2029. Na ontvangst zou Overdie Fines het materiaal verwerken tot fracties, waarvan de mineralenfractie door Kok Lexmond B.V. zou worden opgewerkt tot bouwstof voor de wegenbouw, met opslag bij Reststoffen Centrale Alkmaar B.V. De staatssecretaris maakte bezwaar op grond van artikel 12 lid 1 sub b van de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA). De kern van het bezwaar is tweeledig: ten eerste stelt de staatssecretaris dat de mineralenfractie niet wordt nuttig toegepast conform het verplichte normdocument BRL 2307-2 'AEC-bodemas voor ongebonden toepassing in grond en wegenbouwkundige werken', zoals vereist op grond van artikel 18 lid 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Overdie Fines had in haar kennisgeving verwezen naar het normdocument BRL 2506-2 'Recyclinggranulaten', maar de staatssecretaris acht dit onvoldoende. Ten tweede beschikken Kok Lexmond en Reststoffen Centrale Alkmaar niet over de vereiste erkenning als bedoeld in artikel 9 lid 1 van het Besluit bodemkwaliteit. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hoewel het oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de bodemprocedure, ziet de rechter vooralsnog onvoldoende grond om het bezwaar van de staatssecretaris te schorsen. De combinatie van het ontbreken van de juiste erkenningen en de twijfel over het toepasselijke normdocument rechtvaardigt de afwijzing.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 1 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied