Verzoek heroverweging tentamencijfer door voorzieningenrechter afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4338, Raad van State, 23-07-2026, 202602173/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het verzoek ziet op de beslissing van de examinator van de opleiding AD Sociaal Werk van 13 april 2026, waarbij hij de opdracht van [verzoekster] voor het vak Beroepsproduct 3 heeft beoordeeld met het cijfer 5,3. [verzoekster] verzoekt de voorzieningenrechter een voorziening te treffen inhoudende dat de opleiding hangende administratief beroep de door haar ingeleverde opdracht voor het vak Beroepsproduct 3 opnieuw beoordeeld.
Kern van de zaak
Een studente aan de opleiding AD Sociaal Werk ontving een onvoldoende (5,3) voor het vak Beroepsproduct 3. Zij verzocht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen waarbij de opleiding haar opdracht opnieuw zou moeten beoordelen, hangende het administratief beroep bij het College van Beroep voor de Examens (CBE).
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat het CBE in administratief beroep de inhoudelijke beoordeling van de examinator niet toetst, maar slechts of die beslissing in strijd is met het recht; de grieven over de motivering van de examinator kunnen daartoe niet leiden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past geheel binnen bestaande rechtspraak en bevat geen nieuwe rechtsregels; de praktische betekenis is beperkt tot bevestiging van de marginale toetsing door het CBE in individuele onderwijsgeschillen.
Belangrijkste punten
- 1Het CBE toetst in administratief beroep examinatorsbesluiten alleen op rechtmatigheid, niet inhoudelijk.
- 2Klachten over de inhoudelijke juistheid van de beoordeling of de onderbouwing ervan vallen buiten de toetsingsruimte van het CBE.
- 3Beroep op strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel slaagt niet als het slechts neerkomt op een inhoudelijk bezwaar tegen het cijfer.
- 4De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot herkeuring hangende administratief beroep af.
- 5Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn (vergelijk ECLI:NL:RVS:2018:3428) dat examinatorsbesluiten in administratief beroep bij het CBE uitsluitend marginaal worden getoetst op strijd met het recht, en dat inhoudelijke bezwaren tegen een cijfer daarbinnen geen grondslag vormen voor vernietiging.
Praktische impact
Studenten die het oneens zijn met een beoordelingscijfer kunnen via het CBE geen volledige herkeuring afdwingen; zij zijn aangewezen op de interne procedurele rechtsmiddelen van de instelling zelf (zoals een second opinion of herkeuring) indien de opleiding daarin voorziet.
Onderwerp-impact
In het hoger onderwijs beperkt deze uitspraak de mogelijkheden voor studenten om via de bestuursrechtelijke weg een inhoudelijke herbeoordeling van examenwerkstukken te verkrijgen, wat de autonomie van examinatoren bij de beoordeling van beroepsproducten bestendigt.
Samenvatting
Een studente van de Associate degree-opleiding Sociaal Werk ontving voor haar opdracht Beroepsproduct 3 een onvoldoende van 5,3. Zij was het niet eens met de wijze waarop de examinator haar werk had beoordeeld en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de opleiding haar opdracht opnieuw zou beoordelen zolang het administratief beroep bij het College van Beroep voor de Examens (CBE) nog liep. De voorzieningenrechter wees dit verzoek af. De kern van de beslissing ligt in de beperkte toetsingsruimte van het CBE: dat college beoordeelt in administratief beroep niet inhoudelijk of een examinator een werk juist heeft beoordeeld, maar uitsluitend of de beslissing van de examinator in strijd is met het recht. Dit is vaste jurisprudentie van de Raad van State (zie ECLI:NL:RVS:2018:3428). De studente betoogde dat de beoordeling in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat de onderbouwing van de examinator naar haar oordeel inhoudelijk niet klopte. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat een dergelijk betoog, dat in wezen neerkomt op een inhoudelijk bezwaar tegen het toegekende cijfer, niet kan leiden tot vernietiging van het examenbesluit. Het CBE is immers niet de aangewezen instantie voor een volledige herbeoordeling van het werk. Nu het verzoek tot voorlopige voorziening er in wezen op neerkomt dat een herkeuring moet plaatsvinden hangende een beroep dat zelf al beperkt is tot een rechtmatigheidstoets, ontbreekt daarvoor de grondslag. De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling, maar bevestigt een bestendig patroon: examinatorsbesluiten genieten inhoudelijke autonomie en zijn slechts marginaal toetsbaar via de bestuursrechtelijke weg. Proceskosten worden niet vergoed.