Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond, voorlopige voorziening afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4333, Raad van State, 27-07-2026, BRS.26.003257
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke procedure. Tegelijkertijd verzocht hij om een voorlopige voorziening. De exacte aard van het onderliggende besluit van de minister is niet uit de tekst af te leiden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en geoordeeld dat het hogerberoepschrift geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming opwerpt die nadere motivering vereisen op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen; de zaakspecifieke feiten zijn grotendeels onbekend en er is geen richtinggevende of precedentscheppende betekenis.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen nadere motivering vereist)
- 2Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht (HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 3Voorzieningenrechter neemt de motivering van de rechtbank onder overwegingen 6.1 en 8 integraal over
- 4Geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister
- 5Voorlopige voorziening afgewezen als gevolg van ongegrondverklaring hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte motiveringsplicht uit artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de Unierechtelijke maatstaf uit het arrest Remling (HvJ 2026). Er zijn geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent de uitspraak dat de rechtbank in stand blijft en dat geen schorsende werking via een voorlopige voorziening wordt verkregen; de gevolgen van het ministeriële besluit kunnen derhalve worden uitgevoerd.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de Raad van State bij gestandaardiseerde hoger beroepen zonder nieuwe rechtsvragen snel en zonder uitgebreide motivering kan afdoen.
Samenvatting
In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (27 juli 2026) staat een vreemdelingrechtelijke procedure centraal. Een vreemdeling had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit van de minister, en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening ter schorsing van dat besluit. De inhoud van het oorspronkelijke besluit en de specifieke omstandigheden van de vreemdeling zijn niet uit de gepubliceerde tekst af te leiden. De juridische vraag die de Raad van State moest beantwoorden, was of het hoger beroep gronden bevatte die de uitspraak van de rechtbank konden aantasten, dan wel vragen opriepen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in de zin van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De motivering van de rechtbank – met name de overwegingen 6.1 en 8 – wordt integraal overgenomen. Nader motiveren is niet vereist omdat het hogerberoepschrift geen kwesties van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming bevat. Evenmin rijzen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals vereist door het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Als rechtstreeks gevolg van de ongegrondverklaring wordt ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is een standaardtoepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Voor de betrokken vreemdeling heeft de uitspraak verstrekkende praktische gevolgen: het ministeriële besluit kan worden uitgevoerd zonder schorsende werking.