Vergunningen vreemdelingen verlengd bij wijze van voorlopige voorziening
ECLI:NL:RVS:2026:4331, Raad van State, 23-07-2026, BRS.26.003540
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 27 januari 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hen verleende gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, afgewezen. Bij besluiten van 3 september 2025 heeft de minister de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 26 mei 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.
Kern van de zaak
Verzoekers (vreemdelingen) beschikken over vergunningen waarvan de geldigheid dreigt te verstrijken hangende een hoger beroepsprocedure. Zij verzoeken de Raad van State een voorlopige voorziening te treffen zodat zij worden behandeld alsof hun vergunningen nog geldig zijn, in afwachting van de definitieve uitspraak.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat het hoger beroep nader onderzoek vergt waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent, zodat de status quo wordt bevroren.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele voorlopige voorzieningsbeslissing zonder inhoudelijk oordeel over de vergunningskwestie; de juridische betekenis is beperkt tot de betrokken verzoekers en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd gedurende de hoger beroepsprocedure.
- 2De voorzieningenrechter acht nader onderzoek noodzakelijk, wat de spoedeisende procedure niet toelaat.
- 3De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (€ 934,00).
- 4De voorziening werkt opschortend totdat de Afdeling in hoger beroep definitief heeft beslist.
- 5De uitspraak betreft een tijdelijke maatregel en prejudicieert niet over de inhoud van het hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert dat de Raad van State bereid is een vergunningsstatus te bevriezen hangende hoger beroep wanneer nader onderzoek nodig is en direct statusverlies onevenredig nadeel zou kunnen opleveren. Dit bevestigt de bestaande lijn dat de voorzieningenrechter bij twijfel over de zaak de status quo handhaaft.
Praktische impact
Verzoekers behouden gedurende de lopende procedure hun verblijfs- en rechtspositie alsof hun vergunningen nog geldig zijn, waardoor geen onmiddellijk risico op uitzetting of statusverlies bestaat. De minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in soortgelijke situaties biedt deze uitspraak een bevestiging dat vergunninghouders in hoger beroep een voorlopige voorziening kunnen verkrijgen om statusverlies tijdens de procedure te voorkomen.
Samenvatting
In deze zaak verzochten vreemdelingen de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening hangende een hoger beroepsprocedure tegen de minister van Asiel en Migratie. De kern van het verzoek was dat verzoekers zouden worden behandeld alsof de geldigheidsduur van hun vergunningen was verlengd, zolang nog niet op het hoger beroep is beslist. Zonder een dergelijke maatregel dreigden verzoekers hun verblijfsrechtelijke status te verliezen terwijl de inhoudelijke beoordeling van hun zaak nog niet was afgerond. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hoger beroep nader onderzoek vergt waarvoor de spoedprocedure voor een voorlopige voorziening zich niet goed leent. Dit is de klassieke grond waarop de voorzieningenrechter de inhoudelijke beoordeling aan de Afdeling overlaat en intussen de bestaande situatie bevriest. Op basis hiervan wordt de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen: verzoekers worden behandeld alsof hun vergunningen zijn verlengd totdat de Afdeling in hoger beroep uitspraak heeft gedaan. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de weigering of niet-verlenging van de vergunningen; zij beoogt uitsluitend de rechtspositie van verzoekers te beschermen gedurende de lopende procedure. Voor de praktijk betekent dit dat verzoekers vooralsnog niet worden geconfronteerd met de gevolgen van een verlopen vergunning, zoals beperking van rechten of dreiging van uitzetting. De juridische vraag omtrent de vergunning zelf blijft open totdat de Afdeling definitief beslist.