Uitzetting opgeschort hangende hoger beroep vreemdeling
ECLI:NL:RVS:2026:4328, Raad van State, 23-07-2026, BRS.26.003760
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 16 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 16 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft op 23 juli 2026 hoger beroep ingesteld tegen een rechtbankuitspraak van 16 juli 2026 en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat zijn verstrekkingen per 24 juli 2026 zouden worden beëindigd en hij zou worden uitgezet.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft de voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat de hogerberoepstermijn nog niet was verstreken, hetgeen op zichzelf al voldoende grond vormt voor het treffen van de voorziening.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele voorzieningsbeslissing in een individueel geval zonder nieuwe rechtsnormen; de Raad van State past een bekende en vaste lijn toe zonder richtinggevende overwegingen.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep ingesteld op dezelfde dag als de verzochte voorlopige voorziening (23 juli 2026), één dag voor de voorgenomen uitzetting
- 2De voorzieningenrechter kent de voorziening toe op de enkele grond dat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken
- 3De voorziening strekt ertoe dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist
- 4De voorzieningenrechter behoudt de bevoegdheid de voorziening ambtshalve op te heffen of te wijzigen (art. 8:87 lid 1 Awb)
- 5De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de vaste lijn dat een nog lopende hogerberoepstermijn op zichzelf een toereikende grond is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zonder dat een nadere belangenafweging vereist is. Dit bevestigt de beschermende werking van art. 8:81 jo. 8:87 Awb in vreemdelingenzaken.
Praktische impact
De vreemdeling kan niet worden uitgezet zolang zijn hoger beroep bij de Raad van State aanhangig is, waarmee een dreigend onherstelbaar gevolg (uitzetting) tijdelijk wordt afgewend. De minister draagt de proceskosten van € 934,00.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures biedt deze uitspraak bevestiging dat een tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening in combinatie met een hoger beroep effectief uitzetting kan opschorten, wat de rechtsbescherming van vreemdelingen versterkt.
Samenvatting
Op 23 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening getroffen in een vreemdelingenzaak. De achtergrond is als volgt: de vreemdeling in kwestie had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2026, waarbij zijn verstrekkingen kennelijk waren beëindigd of zijn uitzetting was gelast. De voorgenomen uitzetting stond gepland voor 24 juli 2026, slechts één dag na het instellen van het hoger beroep. De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening de uitzetting op te schorten. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek ingewilligd. De motivering is beknopt maar helder: nu de hogerberoepstermijn nog niet was verstreken op het moment van het verzoek, vormt dit gegeven op zichzelf al een toereikende grond voor het treffen van de gevraagde voorziening. Een inhoudelijke beoordeling van de slagingskansen van het hoger beroep of een nadere belangenafweging was in dit stadium niet vereist. De voorziening houdt in dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter wijst er expliciet op dat hij de voorziening ook ambtshalve kan opheffen of wijzigen op grond van artikel 8:87 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de situatie niet onherroepelijk is vastgelegd. Tot slot wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van de proceskosten ten bedrage van € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft geen richtinggevend karakter maar bevestigt de bestaande rechtspraktijk dat tijdig instellen van hoger beroep gecombineerd met een voorzieningsverzoek uitzetting effectief kan tegenhouden.