Hoger beroep minister asiel ongegrond wegens herstelbaar gebrek
ECLI:NL:RVS:2026:4327, Raad van State, 27-07-2026, BRS.26.002753
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 november 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, waarin een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in een besluit was vastgesteld. De minister betwistte dit oordeel, maar de Raad van State oordeelde dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen van algemeen belang opwierp.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat het geconstateerde zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek zich eenvoudig laat herstellen en het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (art. 91 lid 2 Vw 2000).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak en zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De impact is beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de vereenvoudigde afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist.
- 2De rechtbank constateerde een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in het besluit van de minister.
- 3Het gebrek laat zich eenvoudig herstellen in nieuwe besluitvorming, zonder dat de uitkomst daarmee vaststaat.
- 4Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht (verwijzing naar HvJ EU 24 maart 2026, Remling).
- 5De minister wordt veroordeeld tot proceskosten (€ 934,00) en griffierecht (€ 596,00).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte motiveringsplicht ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij het Remling-arrest van het HvJ EU over de reikwijdte van de Unierechtelijke prejudiciële verplichting. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
De minister moet een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit nemen ten aanzien van de betrokken vreemdeling. De betrokkene ontvangt een proceskostenvergoeding van € 934,00.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures bevestigt deze uitspraak dat motiveringsgebreken in besluiten in beginsel herstelbaar zijn via nieuwe besluitvorming, zonder dat de definitieve uitkomst voor de vreemdeling daarmee al is bepaald.
Samenvatting
In deze zaak ging de minister van Asiel en Migratie in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had in het besluit van de minister een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek vastgesteld en het besluit om die reden vernietigd. De minister betwistte dit oordeel in hoger beroep. De Raad van State past de vereenvoudigde afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van deze bepaling hoeft de uitspraak niet verder gemotiveerd te worden wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Dat is hier het geval: het geconstateerde gebrek laat zich eenvoudig herstellen in een nieuw besluit, los van de vraag wat de inhoudelijke uitkomst van die heroverweging moet zijn. Bovendien worden geen vragen gesteld over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals vereist na het arrest Remling van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene ten bedrage van € 934,00 voor professionele rechtsbijstand, en er wordt een griffierecht van € 596,00 geheven van de minister. De zaak wordt terugverwezen naar de minister om een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit te nemen. De uitspraak heeft een beperkte precedentwerking en is vooral relevant als bevestiging van de standaard werkwijze bij herstelbare motiveringsgebreken in vreemdelingenzaken.