Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond, voorlopige voorziening afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4326, Raad van State, 27-07-2026, BRS.26.003546
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat in Papendrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak en tegelijkertijd een voorlopige voorziening verzocht bij de voorzieningenrechter van de Raad van State. De exacte inhoud van het geschil (aard van het besluit van de minister) blijkt niet uit de beschikbare tekst, maar het betreft een procedure op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De Raad van State neemt de motivering van de rechtbank over en oordeelt dat het hogerberoepschrift geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming oproept die nadere motivering vereisen (artikel 91 lid 2 Vw 2000).
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen; de verwijzing naar het Remling-arrest voegt marginaal toe maar stelt geen eigen rechtsregel.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte motiveringsgrond ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: het hogerberoepschrift roept geen rechtsvragen op die beantwoording in het algemeen belang vergen.
- 2De voorzieningenrechter neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 7.3 en 7.4) integraal over.
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, conform het Remling-arrest van het HvJEU van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
- 4Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening volgt rechtstreeks uit de ongegrondverklaring van het hoger beroep.
- 5De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de standaard verkorte afdoeningsroute in vreemdelingenzaken toe en bevestigt de toepasselijkheid van het recente Remling-arrest voor de Unierechtelijke toets bij artikel 91 lid 2 Vw 2000. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de uitspraak dat de eerdere beslissing van de rechtbank in stand blijft en dat geen schorsing van het besluit van de minister is verkregen; het einde van de verblijfsrechtelijke procedure lijkt nabij.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak opnieuw de ruime toepassing van de verkorte motiveringsplicht, wat de doorlooptijden in hoger beroep kort houdt maar de rechtsbescherming van individuele vreemdelingen beperkt.
Samenvatting
In deze procedure heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. Tegelijkertijd verzocht hij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen, vermoedelijk om uitzetting te voorkomen hangende het hoger beroep. De precieze inhoud van het onderliggende besluit van de minister en de gronden van het hogerberoepschrift zijn uit de gepubliceerde tekst niet volledig kenbaar, omdat de overwegingen van de rechtbank (7.3 en 7.4) niet zijn opgenomen. De voorzieningenrechter van de Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond met toepassing van de verkorte motiveringsgrond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikellid staat de Afdeling toe te volstaan met een beknopte motivering wanneer het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Daarnaast constateert de voorzieningenrechter — onder verwijzing naar het arrest Remling van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24) — dat het hogerberoepschrift evenmin vragen oproept over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht. De motivering van de rechtbank in overwegingen 7.3 en 7.4 wordt integraal overgenomen. Als rechtstreeks gevolg van de ongegrondverklaring van het hoger beroep wordt ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen: er is immers geen spoedeisend belang meer dat een schorsing rechtvaardigt. De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is een routinematige toepassing van de vaste vreemdelingenrechtelijke afdoeningspraktijk en heeft geen zelfstandige precedentwerking.