Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden
ECLI:NL:RVS:2026:4320, Raad van State, 27-07-2026, BRS.26.003517
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat in Almere, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. Appellant heeft echter nagelaten toe te lichten waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. De zaak betreft vermoedelijk een asiel- of verblijfsrechtelijke kwestie waarbij de minister partij is.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat appellant geen grieven heeft aangevoerd die uitleggen waarom de rechtbankuitspraak onjuist is, zoals vereist door artikel 85 Vw 2000, terwijl ook geen uitzonderlijke Bahaddar-omstandigheden aanwezig zijn.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele, op vaste jurisprudentie gebaseerde afdoening zonder nieuwe rechtsvragen. De uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 85 Vw 2000 vereist dat hoger beroepsgronden duidelijk uitleggen waarom de aangevochten uitspraak onjuist is; ontbreken hiervan leidt tot niet-ontvankelijkheid.
- 2De Bahaddar-exceptie (RvS 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664) biedt ruimte voor inhoudelijke beoordeling ondanks formele gebreken, maar deze uitzondering was hier niet van toepassing.
- 3Bij niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep vervalt ook de grondslag voor de gevraagde voorlopige voorziening.
- 4De minister is niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
- 5De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak afgedaan zonder inhoudelijk oordeel over het onderliggende geschil.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat in vreemdelingenzaken het hoger beroep concrete grieven moet bevatten op grond van artikel 85 Vw 2000, bij gebreke waarvan niet-ontvankelijkheid volgt. De toepassing van de Bahaddar-toets als veiligheidsventiel wordt opnieuw bevestigd.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de niet-ontvankelijkverklaring dat de rechtbankuitspraak onherroepelijk wordt en dat een eventuele dreigende uitzetting niet via deze procedure wordt tegengehouden. De gevraagde schorsing van het besluit wordt niet verleend.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenprocedures wordt opnieuw onderstreept dat procedurevereisten strikt worden gehandhaafd, wat appellanten en hun rechtsbijstandverleners dwingt tot zorgvuldige motivering van hoger beroepschriften.
Samenvatting
In deze vreemdelingenrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 juli 2026 uitspraak gedaan over een hoger beroep en een verzoek om voorlopige voorziening. De appellant had eerder beroep ingesteld bij de rechtbank in een zaak waarbij de minister van (vermoedelijk) Justitie en Veiligheid als verweerder optrad. Nadat de rechtbank uitspraak had gedaan, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling en vroeg hij tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om de gevolgen van het bestreden besluit te schorsen. De centrale juridische vraag was of het hoger beroep ontvankelijk kon worden verklaard, nu appellant in zijn beroepschrift niet had toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 stelt als harde eis dat het beroepschrift één of meer grieven bevat met een duidelijke omschrijving van de redenen waarom de aangevochten uitspraak onjuist wordt geacht. Aan deze eis was niet voldaan. De voorzieningenrechter heeft vervolgens getoetst of sprake was van zogenoemde Bahaddar-omstandigheden, een door de Afdeling in juni 2022 erkende uitzondering die inhoudt dat onder bijzondere omstandigheden toch inhoudelijk wordt beoordeeld, bijvoorbeeld wanneer een vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade en de gebreken in het beroepschrift buiten zijn schuld zijn ontstaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat dergelijke omstandigheden zich in dit geval niet voordeden. Als gevolg van de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep was er evenmin een grondslag voor de gevraagde voorlopige voorziening, die daarom eveneens werd afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is een routinematige toepassing van vaste procedureregels in het vreemdelingenrecht.