JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4317Middel58/100

RvS: Overdracht lesbische asielzoekster naar Polen toegestaan

ECLI:NL:RVS:2026:4317, Raad van State, 24-07-2026, BRS.26.002125

Raad van StateUitspraak: 24 juli 2026Publicatie: 22 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002125
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Refoulement
Dublin Verordening
Interstatelijk Vertrouwensbeginsel
Lhbtiq Asielzoekers
Polen

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.

Kern van de zaak

Een Ghanese lesbische vrouw vroeg asiel aan in Nederland, maar de minister weigerde haar aanvraag in behandeling te nemen omdat Polen verantwoordelijk was op grond van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde in haar voordeel, stellende dat Polen voor lhbtiq+-personen mogelijk niet aan internationale verplichtingen voldoet. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond. Doorslaggevend is dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel meebrengt dat Polen geacht wordt het refoulementverbod na te leven en toegang tot effectieve rechtsbescherming te bieden, en dat de aangevoerde landeninformatie over lhbtiq+-personen in Polen onvoldoende was om dit vermoeden te weerleggen.

58van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is relevant voor een specifieke kwetsbare groep (lhbtiq+-asielzoekers) en geeft richting aan de drempel voor het weerleggen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar stelt geen fundamenteel nieuw rechtsbeginsel vast en bevestigt grotendeels bestaande jurisprudentie.

Belangrijkste punten

  • 1Polen is verantwoordelijke lidstaat op grond van artikel 12 lid 2 Dublinverordening; de minister nam de aanvraag niet in behandeling.
  • 2Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat de aangezochte EU-lidstaat wordt geacht het refoulementverbod na te leven en effectieve rechtsbescherming te bieden.
  • 3Het rapport van het Migration Consortium (2025) over juridische obstakels voor lhbtiq+-personen in Polen werd door de Afdeling onvoldoende geacht om het vermoeden te weerleggen.
  • 4De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mocht toepassen ten aanzien van Polen voor lhbtiq+-personen.
  • 5De uitspraak sluit aan bij eerdere Afdelingsjurisprudentie: ECLI:NL:RVS:2025:3800 (geen structurele tekortkomingen Polen) en ECLI:NL:RVS:2024:2359 (kader interstatelijk vertrouwen).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat landeninformatie over specifieke kwetsbare groepen (zoals lhbtiq+-personen) niet zonder meer voldoende is om het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij Dublinoverdrachten te doorbreken. Rechters en advocaten worden hiermee gewaarschuwd dat een hoge drempel geldt voor het succesvol weerleggen van het vermoeden van naleving door een EU-lidstaat.

Praktische impact

Voor lhbtiq+-asielzoekers die via Polen de EU zijn binnengekomen, betekent deze uitspraak dat overdracht naar Polen in beginsel doorgang kan vinden, ook indien zij seksuele oriëntatie als asielmotief aanvoeren. Enkel uitzonderlijk specifiek en zwaarwegend bewijs kan een overdracht blokkeren.

Onderwerp-impact

In het bredere asiel- en vreemdelingenrecht onderstreept dit arrest dat Dublinoverdrachten naar Polen voor kwetsbare groepen zoals lhbtiq+-personen juridisch standhoudt, ondanks kritische rapporten over de Poolse situatie.

Samenvatting

In deze zaak had een Ghanese vrouw met de Ghanese nationaliteit, die verklaarde lesbisch te zijn, asiel aangevraagd in Nederland. De minister weigerde haar aanvraag in behandeling te nemen, omdat Polen op grond van artikel 12 lid 2 van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat was. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) had haar beroep gegrond verklaard, overwegende dat uit een rapport van het Migration Consortium uit 2025 bleek dat lhbtiq+-personen in Polen te maken krijgen met aanzienlijke juridische obstakels in de asielprocedure, waardoor een significant verhoogd risico op onrechtmatige afwijzingen en refoulement zou bestaan. Volgens de rechtbank had de minister hierdoor niet zonder meer mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor deze specifieke groep. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank dit onjuist had beoordeeld. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt als uitgangspunt dat een EU-lidstaat het refoulementverbod naleeft en dat asielzoekers er toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming. Dit vermoeden kan worden weerlegd, maar daarvoor is meer vereist dan landeninformatie die wijst op mogelijke risico's voor een bepaalde groep. De Afdeling verwees naar haar eerdere uitspraken van 14 augustus 2025 en 12 juni 2024, waaruit volgt dat er geen structurele tekortkomingen zijn in de Poolse asielprocedure en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van toepassing blijft. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 29 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
58van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410, Raad van State, 29-07-2026, 202501680/1/A2

Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4406Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4406, Raad van State, 29-07-2026, 202402336/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied