Minister veroordeeld in proceskosten na gebreken voortraject vreemdelingenbewaring
ECLI:NL:RVS:2026:4313, Raad van State, 24-07-2026, BRS.26.002556
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling in bewaring stelde hoger beroep in bij de Raad van State omdat de rechtbank de minister ondanks vastgestelde gebreken in het voortraject (onjuiste grondslag ophouding en niet-beëdigde tolk zonder VOG) niet in de proceskosten had veroordeeld. De bewaring zelf werd niet aangevochten met succes.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister in de proceskosten te veroordelen. De Raad van State vernietigt de uitspraak op dit punt, omdat de vastgestelde gebreken in de staandehouding en ophouding aanleiding hadden moeten geven tot een proceskostenveroordeling; de minister moet €2.802,00 vergoeden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past een reeds bestaande lijn toe (zie eerdere RvS-uitspraken uit 2024 en 2026) en heeft geen nieuwe rechtsontwikkeling tot gevolg; de impact beperkt zich tot de correcte toepassing van proceskosten in individuele bewaringszaken.
Belangrijkste punten
- 1Rechtbank stelde twee gebreken vast in het voortraject: ophouding op onjuiste grondslag en gebruik van niet-beëdigde tolk zonder overhandiging van een VOG.
- 2Ondanks deze gebreken veroordeelde de rechtbank de minister ten onrechte niet in de proceskosten.
- 3Gebreken die betrekking hebben op staandehouding, overbrenging of ophouding leiden in beginsel tot proceskostenveroordeling.
- 4De bewaring zelf wordt door de Afdeling ambtshalve niet onrechtmatig geacht; grieven over de inhoudelijke rechtmatigheid falen op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen vragen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling).
- 5De Afdeling verwijst ter vergelijking naar eerdere uitspraken van 15 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1544) en 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1650).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat procedurele gebreken in het voortraject van vreemdelingenbewaring (staandehouding, overbrenging, ophouding) een zelfstandige grond vormen voor proceskostenveroordeling, ongeacht de rechtmatigheid van de bewaring zelf.
Praktische impact
Vreemdelingen in bewaring bij wie procedurele gebreken in het voortraject worden vastgesteld, hebben recht op vergoeding van proceskosten; de minister van Asiel en Migratie dient in dit geval €2.802,00 te vergoeden.
Onderwerp-impact
De uitspraak verduidelijkt de praktijk rond proceskostenveroordelingen in bewaringszaken en heeft directe betekenis voor de rechtsbijstandspraktijk in vreemdelingenzaken.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) van 18 mei 2026 over zijn bewaring. De rechtbank had twee gebreken in het voortraject vastgesteld: de vreemdeling was op een onjuiste grondslag opgehouden, en na het gebruik van een niet-beëdigde tolk was door de minister geen Verklaring Omtrent het Gedrag overhandigd. Ondanks deze vastgestelde gebreken had de rechtbank de minister niet veroordeeld in de proceskosten, wat de centrale juridische vraag in hoger beroep vormde. De Afdeling overweegt dat grieven over de ondertekening van de maatregel, de gebreken in het voortraject, de belangenafweging en de eventuele toepassing van een lichter middel geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en laat deze buiten verdere bespreking op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000. Wel slaagt de klacht over de proceskosten. De Afdeling stelt vast dat gebreken die betrekking hebben op de staandehouding, overbrenging of ophouding in beginsel aanleiding geven tot een proceskostenveroordeling. Door dit na te laten heeft de rechtbank een onjuiste beslissing genomen. De Afdeling verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraken van 15 april 2024 en 26 maart 2026, waarin dezelfde lijn is uitgezet. Ambtshalve ziet de Afdeling geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten, en ook Unierechtelijke vragen spelen niet. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover zij heeft nagelaten de minister te veroordelen in de proceskosten, en de minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot betaling van €2.802,00 aan proceskosten voor zowel beroep als hoger beroep.