Hoger beroep vreemdeling ongegrond verklaard door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:4312, Raad van State, 24-07-2026, BRS.26.003364
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke zaak. De minister was de wederpartij. De exacte aard van het onderliggende besluit (verblijfsrecht, uitzetting of anderszins) is uit de beschikbare tekst niet volledig af te leiden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State paste de verkorte motiveringsregel toe op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwierp die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord dienden te worden, noch vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de inhoud van de zaak is grotendeels onbekend en de verkorte afdoening geeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Raad van State past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: verkorte motivering volstaat bij ontbreken van rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen.
- 2Afdeling neemt motivering rechtbank volledig over zonder aanvullende redenering.
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, mede getoetst aan HvJEU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243).
- 4Minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat de routineuze aard van de zaak onderstreept.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de recente Unierechtelijke kaders gesteld in het Remling-arrest van het HvJEU. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat de situatie na het eerdere besluit van de minister ongewijzigd blijft en er geen verdere rechtsmiddelen openstaan binnen deze procedure.
Onderwerp-impact
In vreemdelingrechtelijke procedures bevestigt deze uitspraak dat de enkelvoudige kamer van de Afdeling routinezaken efficiënt afdoet via de verkorte motivering, zonder uitgebreide inhoudelijke herbeoordeling.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingrechtelijke procedure waarbij de minister van wederpartij was. De precieze aard van het onderliggende besluit – mogelijk een verblijfsrechtelijk besluit of een uitzettingsbeslissing – is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht en op goede gronden had geoordeeld ten nadele van de vreemdeling. De Afdeling bestuursrechtspraak beantwoordde deze vraag bevestigend en maakte daarbij gebruik van de verkorte motiveringsregel van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van dit artikel kan de Afdeling volstaan met een beknopte motivering wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat het hogerberoepschrift dergelijke vragen niet opwierp. Tevens werd geoordeeld dat er geen vragen rezen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, mede in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De motivering van de rechtbank onder overweging 4 werd integraal overgenomen. Als gevolg hiervan werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en werd de minister niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De zaak werd afgedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen past bij de routineuze aard van de procedure. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwaarde maar illustreert de efficiënte wijze waarop de Afdeling standaardzaken in het vreemdelingenrecht afdoet.