Uitzetting vreemdeling opgeschort tot hoger beroep beslist
ECLI:NL:RVS:2026:4311, Raad van State, 24-07-2026, BRS.26.003545
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening aangevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang te verkrijgen, hangende een hoger beroepsprocedure tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen: verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat de aangevoerde gronden voldoende aanleiding gaven voor het treffen van de voorziening, conform vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige toepassing van vaste jurisprudentie in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de concrete zaak.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoeker heeft ook opvang en verstrekkingen gevraagd naast schorsing van de uitzetting
- 3De beslissing stoelt op de standaardregel uit RvS 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld in proceskosten van € 934,00
- 5De uitspraak bevat geen inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep zelf
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de vaste lijn van de Afdeling toe waarbij bij voldoende aangevoerde gronden een schorsende voorlopige voorziening wordt getroffen hangende hoger beroep in vreemdelingenzaken; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Verzoeker is voorlopig beschermd tegen uitzetting en kan de uitkomst van zijn hoger beroep in Nederland afwachten; de minister draagt de proceskosten van € 934,00.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de voorzieningenrechter bereid is uitzetting te schorsen wanneer een hoger beroep loopt en voldoende gronden zijn aangevoerd, wat bescherming biedt aan verzoekers in een kwetsbare positie.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij zou worden uitgezet voordat zijn hoger beroep is behandeld. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De aanleiding was een beslissing van de minister van Asiel en Migratie waaregen hij zowel hoger beroep heeft ingesteld als de onderhavige voorlopige voorzieningsprocedure heeft opgestart. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen. Onder verwijzing naar de vaste uitspraaklijn van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457) oordeelde de voorzieningenrechter dat het aangevoerde voldoende grond biedt voor het treffen van de voorziening. Concreet is bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak bevat geen inhoudelijke beoordeling van de onderliggende asielprocedure of het hoger beroep; zij strekt uitsluitend tot het bewaren van de status quo totdat de bodemrechter zich over de zaak heeft uitgesproken. Het betreft een toepassing van standaard vreemdelingenrechtelijke jurisprudentie zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De praktische betekenis voor verzoeker is evenwel significant: hij is voorlopig gevrijwaard van uitzetting en kan zijn rechtspositie in Nederland verder bepleiten.