Correctierecht Wpg geldt niet voor politiemeningen en indrukken
ECLI:NL:RVS:2026:4298, Raad van State, 22-07-2026, 202204834/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 21 april 2021 en 6 oktober 2021 heeft de korpschef verzoeken van [appellant] om rectificatie van politiegegevens afgewezen. Een medewerker van de politie heeft twee e-mails van [appellant] in het politiesysteem BVH opgeslagen met de vermelding ‘(Dreig)mail’. Verder heeft een medewerker van de politie de projectcode ‘corona’ gekoppeld aan een BVH-registratie waarin politiegegevens van [appellant] zijn verwerkt. [appellant] heeft op grond van de Wet politiegegevens verzocht om wijziging van deze vermelding en om verwijdering van de projectcode. De korpschef heeft deze verzoeken bij afzonderlijke besluiten afgewezen. De rechtbank heeft de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om te controleren of de feitelijke kwalificatie van de e-mail als ‘(Dreig)mail’ klopt. Ook voert hij aan dat er geen ‘effective remedy’ is omdat meningen en indrukken niet voor rectificatie vatbaar zijn, terwijl die meningen en indrukken in strafrechtelijke procedures tegen hem gebruikt worden als feiten omdat mutaties op ambtseed zijn opgemaakt.
Kern van de zaak
Een burger verzocht de politie om wijziging van de aanduiding '(Dreig)mail' bij twee door hem verstuurde e-mails in het politiesysteem BVH, en om verwijdering van de projectcode 'corona' die aan zijn registratie was gekoppeld. De korpschef wees beide verzoeken af. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat het correctierecht van artikel 28, eerste lid, Wpg niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies van politiemedewerkers te corrigeren of te verwijderen; voor feitelijke gegevens geldt bovendien dat de verzoeker zelf aannemelijk moet maken dat deze onjuist zijn.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt een reeds bestaande jurisprudentielijn van de Afdeling en stelt geen nieuwe rechtsregels. De praktische relevantie is beperkt tot personen die bezwaar maken tegen kwalificerende aanduidingen in politieregistraties, maar de principiële beperking van het Wpg-correctierecht heeft bredere betekenis voor de rechtsbescherming van burgers.
Belangrijkste punten
- 1Het correctierecht op grond van artikel 28 lid 1 Wpg ziet uitsluitend op onjuiste feitelijke politiegegevens, niet op indrukken, meningen of conclusies van politiemedewerkers.
- 2De aanduiding '(Dreig)mail' betreft een kwalificerende inschatting door een politiemedewerker en valt daarmee buiten het bereik van het correctierecht.
- 3De verzoeker draagt de bewijslast: hij moet aannemelijk maken dat feitelijke politiegegevens onjuist zijn.
- 4Appellant betoogde dat er geen 'effective remedy' bestaat omdat meningen als feiten worden gebruikt in strafrechtelijke procedures, doch de Afdeling volgt dit betoog niet.
- 5De Raad van State sluit aan bij een eerdere uitspraak in een hoger beroep van dezelfde appellant, wat duidt op een vaste lijn in de rechtspraak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en consolideert de bestaande jurisprudentielijn van de Afdeling bestuursrechtspraak dat het Wpg-correctierecht een beperkte reikwijdte heeft en niet kan worden ingezet om subjectieve politie-kwalificaties te laten verwijderen. Dit beperkt de mogelijkheden van burgers om via de Wpg controle te krijgen over de wijze waarop politiemedewerkers hun gedragingen intern duiden.
Praktische impact
Burgers die menen dat politieregistraties hen ten onrechte in een negatief daglicht stellen door gebruik van kwalificerende aanduidingen, kunnen deze niet via het correctierecht laten rectificeren. Dit is met name relevant wanneer zulke registraties doorwerken in strafrechtelijke of andere procedures.
Onderwerp-impact
Voor de verhouding tussen burger en overheid in het kader van politiegegevensverwerking bevestigt deze uitspraak dat de rechtsbescherming via de Wpg haar grenzen heeft bij subjectieve duiding door opsporingsambtenaren.
Samenvatting
Deze zaak betreft een burger die op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) verzocht om wijziging van de aanduiding '(Dreig)mail' bij twee door hem verstuurde e-mails in het politieregistratiesysteem BVH, alsmede om verwijdering van een aan zijn registratie gekoppelde projectcode 'corona'. De korpschef wees beide verzoeken bij afzonderlijke besluiten af. De rechtbank verklaarde de ingestelde beroepen ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De centrale juridische vraag is of het correctierecht van artikel 28, eerste lid, Wpg ook ziet op kwalificerende aanduidingen en indrukken van politiemedewerkers, dan wel uitsluitend op feitelijke politiegegevens. Appellant betoogde voorts dat er geen effectief rechtsmiddel ('effective remedy') bestaat, omdat meningen en indrukken van politieambtenaren in strafrechtelijke procedures als feiten worden gepresenteerd, nu mutaties op ambtseed zijn opgemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak verwerpt dit betoog en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie in een hoger beroep van dezelfde appellant oordeelt de Afdeling dat het correctierecht van artikel 28 lid 1 Wpg niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen te corrigeren of te verwijderen. De aanduiding '(Dreig)mail' kwalificeert als een subjectieve inschatting van een politiemedewerker en valt daarmee buiten het bereik van het correctierecht. Voor zover verzoeken betrekking hebben op feitelijke gegevens, rust de bewijslast bij de verzoeker, die aannemelijk moet maken dat deze gegevens onjuist zijn. Nu appellant hier niet in slaagt, wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt de beperkte reikwijdte van het Wpg-correctierecht en de grenzen van de rechtsbescherming van burgers ten aanzien van subjectieve politie-kwalificaties.