JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4297

ECLI:NL:RVS:2026:4297, Raad van State, 22-07-2026, 202504678/1/A3

Raad van StateUitspraak: 22 juli 2026Publicatie: 22 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202504678/1/A3

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 7.500,00. Bij besluit van 12 juni 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 2024. De rechtbank heeft [appellante] hierop een nota voor het griffierecht toegezonden van € 187,00. [appellante] heeft vervolgens een betaling van € 240,00 gedaan, waarna de rechtbank het te veel betaalde griffierecht van € 53,00 heeft teruggestort. [appellante] heeft op 5 maart 2025 het resterende griffierecht betaald. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] het griffierecht daarmee niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft voldaan. Volgens de rechtbank is het niet op tijd betalen van het resterende griffierecht niet verschoonbaar. Dat [appellante] niet direct bereid was het griffierecht te betalen omdat de rechtbank een fout had gemaakt, is volgens de rechtbank geen goede reden om niet tijdig te betalen. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. [appellante] betoogt dat zij niet de nadelige gevolgen van de fout van de rechtbank zou moeten hoeven dragen. [appellante] had van de rechtbank enige coulance verwacht.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken