JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4294Middel38/100

Raad van State verklaart seriële procederen niet-ontvankelijk wegens misbruik

ECLI:NL:RVS:2026:4294, Raad van State, 22-07-2026, 202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.

Raad van StateUitspraak: 22 juli 2026Publicatie: 22 juli 2026
Zaaknummer:202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Niet Ontvankelijkheid
Procesrecht
Misbruik Van Recht
Wrakingsverzoek
Serieel Procederen

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Deze uitspraak heeft betrekking op twee hoger beroepen, twee verzoeken om herziening en één verzet waarin [appellant] onderscheidenlijk appellant, verzoeker en opposant is. De hoger beroepen, de verzoeken om herziening en het verzet zijn op verschillende momenten ingediend. De hoger beroepen zijn gericht tegen afzonderlijke uitspraken van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025 in gedingen over rechtsbijstand, waarbij de raad verweerder is. In het verzoek om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 28 mei 2025 gaat het onderliggende geschil over een vermeend verzoek aan het Openbaar Ministerie van het parket Oost-Nederland op grond van de Wet open overheid. In het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023 gaat het onderliggende geschil over de afwijzing door de raad van een verzoek om schadevergoeding.

Kern van de zaak

Een appellant heeft bij de Raad van State en diverse andere rechterlijke instanties tientallen procedures gevoerd, waaronder 28 zaken bij de Afdeling alleen. Hij diende herhaaldelijk wrakingsverzoeken in om andersluidende beslissingen af te dwingen, onder meer over uitstel, griffierecht en getuigenoproeping, zonder enig succes.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart de ingediende rechtsmiddelen niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. De doorslaggevende reden is dat appellant rechtsmiddelen heeft ingesteld waarvan hij geacht moet worden te weten dat deze evident geen kans van slagen hebben, en hij herhaaldelijk wrakingsmiddelen heeft misbruikt om procedurele beslissingen te beïnvloeden.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past bestaande jurisprudentie toe (RvS 2014 en 2017) en stelt geen nieuwe rechtsregels; de impact is voornamelijk gelegen in de consequente handhaving van de misbruikdoctrine in een uitgesproken geval van serieel procederen.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 3:13 BW jo. artikel 3:15 BW biedt wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen wegens misbruik van recht
  • 2Misbruik van procesrecht kan bestaan uit het instellen van rechtsmiddelen die evident kansloos zijn en waarvan de indiener dat weet
  • 3Appellant voerde 28 zaken bij de Afdeling en tientallen procedures bij andere instanties, telkens zonder succes
  • 4Herhaald misbruik van het wrakingsmiddel door meerdere gerechten vastgesteld, waaronder de wrakingskamer van de Afdeling zelf
  • 5Niet-ontvankelijkverklaring is het rechtsgevolg wanneer de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen wordt misbruikt

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt en past de vaste lijn toe dat misbruik van procesrecht in het bestuursrecht leidt tot niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 3:13 BW, ook bij serieel procederen en herhaald wrakingsmisbruik. Dit biedt rechterlijke instanties een duidelijk instrument tegen querulante procespartijen.

Praktische impact

Voor appellant betekent de niet-ontvankelijkverklaring dat zijn zaken inhoudelijk niet worden behandeld. Voor de rechtspraak in brede zin biedt dit bescherming tegen overbelasting door evident kansloze procedures van dezelfde persoon.

Onderwerp-impact

In de context van overheidsprocedures en toegang tot de rechter bevestigt deze uitspraak dat het recht op toegang tot de rechter niet onbegrensd is en dat stelselmatig proceduremisbruik door de overheidsrechter kan worden gesanctioneerd.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Raad van State van 22 juli 2026 betreft een appellant die bij de Afdeling bestuursrechtspraak 28 zaken aanhangig heeft gemaakt en daarnaast bij meerdere andere rechterlijke instanties — waaronder de rechtbank Rotterdam, de rechtbank Den Haag, het gerechtshof Den Haag, de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad — tientallen procedures heeft gevoerd, telkens zonder succes. In al die procedures heeft hij herhaaldelijk wrakingsverzoeken ingediend, niet om een onpartijdig rechter te waarborgen, maar als instrument om gewenste procedurele beslissingen af te dwingen, zoals uitstel van zittingen, vrijstelling van griffierecht en het oproepen van getuigen. Meerdere gerechten, waaronder de wrakingskamer van de Afdeling zelf, hebben al eerder vastgesteld dat appellant het wrakingsmiddel misbruikte. De juridische vraag is of de ingediende rechtsmiddelen ontvankelijk zijn, dan wel of sprake is van misbruik van recht dat aan inhoudelijke behandeling in de weg staat. De Afdeling oordeelt dat de rechtsmiddelen niet-ontvankelijk zijn wegens misbruik van recht. De grondslag hiervoor is artikel 3:13 BW, dat via artikel 3:15 BW ook buiten het vermogensrecht van toepassing is, en dat ingevolge vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2017:3628) ook in het bestuursrecht de bevoegdheid om rechtsmiddelen in te stellen kan beperken. Van misbruik is sprake wanneer de betrokkene rechtsmiddelen instelt waarvan hij geacht moet worden te weten dat deze evident geen kans van slagen hebben. Gelet op de omvang, het patroon en de aard van de procedures oordeelt de Afdeling dat hieraan is voldaan. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn in de jurisprudentie en laat zien dat de bestuursrechter bereid is deze consequent toe te passen bij aantoonbaar stelselmatig proceduremisbruik.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied