Student verliest beroep tegen tentamenbeoordeling UvA
ECLI:NL:RVS:2026:4293, Raad van State, 22-07-2026, 202601161/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 14 november 2025 heeft een examinator van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam (de UvA) aan [appellant] een 7,5 toegekend voor het door hem afgelegde tentamen voor het vak ‘Strafrecht en Rechtstaat’. [appellant] volgt de master Publiekrecht aan de UvA. Op 21 oktober 2025 heeft hij het tentamen voor het vak ‘Strafrecht en Rechtstaat’ afgelegd. De betrokken examinator heeft het tentamen met een 7,5 beoordeeld. Volgens [appellant] zijn ten onrechte slechts 3 punten toegekend voor zijn antwoord op vraag 2a van het tentamen. Bij die tentamenvraag was een citaat weergegeven en de vraag luidde: "Beargumenteer welke strafrechttheorie dit citaat weergeeft en leg deze strafrechttheorie uit. (7 punten)". Volgens [appellant] had voor zijn antwoord 8 punten, althans ten minste 7 punten, toegekend moeten worden, zodat het tentamen met een 9,0 zou zijn beoordeeld. Hij heeft daarom verzocht om een herbeoordeling.
Kern van de zaak
Een masterstudent Publiekrecht aan de UvA betwist de beoordeling van een tentamenvraag over strafrechtstheorie. Hij ontving 3 van 7 punten voor vraag 2a en vorderde via herbeoordeling minimaal 7 punten. Na afwijzing door examinator, vakcoördinator en CBE stapte hij naar de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Doorslaggevend is dat de beoordeling door de examinator inzichtelijk en navolgbaar was gemotiveerd, de vakcoördinator een onafhankelijke herbeoordeling verrichtte, en het CBE voldoende zorgvuldig heeft getoetst of de beoordeling kennelijk onjuist was.
Impactscore
LaagDe uitspraak past in een vaste jurisprudentielijn over marginale toetsing van tentamenbeoordelingen en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe; de feitelijke context is zeer specifiek en individueel.
Belangrijkste punten
- 1Het CBE heeft een marginale toetsing toegepast: niet de inhoudelijke juistheid, maar de kennelijke onjuistheid van de beoordeling en het normantwoord was de maatstaf.
- 2De gestelde vooringenomenheid van de examinator wegens ondergeschiktheid aan de vakcoördinator werd door het CBE en de RvS verworpen.
- 3De vergewisplicht van artikel 3:9 Awb werd door appellant ingeroepen, maar het CBE werd geacht voldoende te hebben onderzocht of de beoordeling deugdelijk was onderbouwd.
- 4Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel leverde geen grond op voor vernietiging.
- 5De uitspraak is gebaseerd op een onvolledige tekst; de eindbeslissing en volledige overwegingen ontbreken gedeeltelijk.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat rechters tentamenbeoordelingen slechts marginaal toetsen en alleen ingrijpen bij kennelijke onjuistheid, niet bij inhoudelijk verschil van inzicht over de correcte beantwoording.
Praktische impact
Voor studenten betekent dit dat het succesvol aanvechten van een tentamencijfer via het CBE en de bestuursrechter uiterst moeilijk is, zeker wanneer de examinator en vakcoördinator de beoordeling consistent motiveren.
Onderwerp-impact
Binnen het onderwijsrecht verduidelijkt deze uitspraak de beperkte omvang van de herbeoordelingsplicht van examencommissies en de grenzen van rechterlijke controle op academische beoordelingsvrijheid.
Samenvatting
Een masterstudent Publiekrecht aan de Universiteit van Amsterdam legde op 21 oktober 2025 een tentamen af voor het vak 'Strafrecht en Rechtstaat'. De examinator kende voor zijn antwoord op vraag 2a slechts 3 van 7 mogelijke punten toe, omdat het antwoord niet overeenkwam met het normantwoord. De student was van mening dat hij minimaal 7 punten verdiende en vroeg om herbeoordeling. Zowel de examinator als de vakcoördinator handhaafden de beoordeling. Het College van Beroep voor de Examens (CBE) wees het beroep van de student af, omdat de beoordeling inzichtelijk en navolgbaar was gemotiveerd en van kennelijke onjuistheid niet was gebleken. De student tekende vervolgens beroep aan bij de Raad van State. Hij stelde dat het CBE het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel had geschonden door klakkeloos de niet-onderbouwde stellingen van de examinator te volgen. Ook beriep hij zich op de vergewisplicht van artikel 3:9 Awb. De Raad van State verwierp deze betogen. De bestuursrechter hanteert bij tentamenbeoordelingen een marginale toetsingsmaatstaf: alleen wanneer de beoordeling kennelijk onjuist is, kan worden ingegrepen. Het enkele feit dat de student het inhoudelijk oneens is met het normantwoord of de puntentoekenning, is onvoldoende om de beslissing van het CBE te vernietigen. De gestelde vooringenomenheid van de examinator werd evenmin aanvaard. De uitspraak ligt in de lijn van vaste rechtspraak over academische beoordelingsvrijheid en de beperkte rol van de bestuursrechter daarin. Opmerking: de aangeleverde uitspraaktekst is onvolledig; de eindbeslissing en een deel van de overwegingen ontbreken, waardoor de analyse gedeeltelijk op onzekerheid berust.