Rijbewijs geweigerd na negatieve rijtest bejaarde bestuurder
ECLI:NL:RVS:2026:4274, Raad van State, 22-07-2026, 202505612/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 december 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] niet rijgeschikt verklaard. Eind 2023 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor de verlenging van zijn rijbewijs. Omdat [appellant], geboren op [geboortedatum] 1940, ouder dan 75 jaar was, moest hij daarvoor een gezondheidsverklaring invullen en naar een keuringsarts. Naar aanleiding van de verklaring en het advies van de keuringsarts is [appellant] naar een oogarts verwezen die een gezichtsvelddefect bij hem heeft vastgesteld. Het CBR heeft vervolgens aanleiding gezien om aanvullende medische keuringen en rijtesten te laten verrichten. De eerste rijtest is afgebroken in verband met gevaarzetting. [appellant] heeft toen verzocht om een tweede rijtest. Die heeft plaatsgevonden in het kader van een herkeuringstraject. De tweede rijtest wees uit dat [appellant] niet in staat is om veilig een auto te besturen. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 december 2024, heeft het CBR [appellant] daarom niet rijgeschikt verklaard.
Kern van de zaak
Een man geboren in 1940 diende eind 2023 een aanvraag in voor verlenging van zijn rijbewijs. Na verwijzing naar een oogarts werd een gezichtsvelddefect vastgesteld. Het CBR liet rijstesten uitvoeren waaruit bleek dat de man niet veilig kon rijden, waarna hij niet rijgeschikt werd verklaard.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het CBR: de niet-rijgeschiktheidsverklaring blijft in stand. Doorslaggevend is dat twee onafhankelijke deskundigen de rijtest hebben beoordeeld en beiden concludeerden dat de appellant niet veilig kan rijden, terwijl appellant zijn bezwaren niet met medische onderbouwing heeft gestaafd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen vaste rechtspraak over rijgeschiktheidsbeoordelingen en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe; de betekenis is voornamelijk bevestigend en individueel van aard.
Belangrijkste punten
- 1Appellant (geboren 1940) moest als 75-plusser een gezondheidsverklaring en keuring ondergaan bij verlenging rijbewijs.
- 2Een oogarts stelde een gezichtsvelddefect vast; appellant betwistte dit maar legde geen medische tegenbewijs over.
- 3De eerste rijtest werd afgebroken wegens gevaarzetting; de tweede rijtest in het herkeuringstraject bevestigde de ongeschiktheid.
- 4Twee onafhankelijke DPR-deskundigen oordeelden los van elkaar dat appellant niet veilig kon rijden.
- 5Het belang van de verkeersveiligheid weegt volgens vaste rechtspraak altijd zwaarder dan het persoonlijke belang bij het rijbewijs.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij rijgeschiktheidsbeoordelingen het CBR mag afgaan op rapporten van onafhankelijke deskundigen, tenzij de betrokkene dit met concrete medische informatie weerlegt. Het verkeersveiligheidsbelang prevaleert steeds boven het individuele belang.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de uitspraak dat hij zijn rijbewijs definitief niet terugkrijgt, wat zijn mobiliteit en die van zijn vrouw ernstig beperkt. Voor andere 75-plussers benadrukt de zaak dat onvoldoende onderbouwde bezwaren tegen keuringsuitkomsten weinig kans van slagen hebben.
Onderwerp-impact
De zaak illustreert dat het wettelijke keuringsregime voor oudere bestuurders strikt wordt toegepast en dat rijbewijsverlengingen voor 75-plussers bij twijfel over rijgeschiktheid consequent worden geweigerd ter bescherming van de verkeersveiligheid.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of het CBR terecht heeft geweigerd een verklaring van rijgeschiktheid af te geven aan een man die in 1940 is geboren. Eind 2023 diende de appellant een aanvraag in voor verlenging van zijn rijbewijs. Omdat hij ouder was dan 75 jaar, was hij verplicht een gezondheidsverklaring in te vullen en zich te laten keuren. Na verwijzing naar een oogarts werd bij hem een gezichtsvelddefect vastgesteld. Op basis daarvan liet het CBR aanvullende medische keuringen en rijstesten uitvoeren. De eerste rijtest werd voortijdig afgebroken wegens gevaarzetting. In het kader van een herkeuringstraject vond een tweede rijtest plaats, waarbij opnieuw werd geconcludeerd dat appellant niet in staat is veilig een auto te besturen. Bij besluit van 12 december 2024, gehandhaafd in bezwaar, verklaarde het CBR appellant niet rijgeschikt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en overwoog dat appellant zijn bezwaar tegen het vastgestelde gezichtsvelddefect niet met medische informatie had onderbouwd. Voorts mocht het CBR afgaan op de rapporten van twee onafhankelijke deskundigen praktische rijgeschiktheid (DPR), die los van elkaar de rijtest hadden beoordeeld. De stelling van appellant dat er ten onrechte meerdere ingrepen waren gedaan om aanrijdingen te voorkomen, achtte de rechtbank niet geloofwaardig tegenover het oordeel van de deskundigen. De Raad van State bevestigt dit oordeel. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer iemand niet geschikt is om veilig auto te rijden, het belang van de verkeersveiligheid altijd zwaarder weegt dan het persoonlijke belang bij het bezit van een rijbewijs. De uitspraak is een toepassing van bestaande rechtsnormen en voegt geen nieuwe rechtsprincipes toe.