RvS verklaart beroep student MBO-Verpleegkunde niet-ontvankelijk
ECLI:NL:RVS:2026:4271, Raad van State, 22-07-2026, 202600313/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 9 december 2025 heeft het College van Bestuur van het ROC Mondriaan de klacht van [appellante] in de brief van 25 augustus 2025 ontvankelijk verklaard, de aanvullende klacht niet-ontvankelijk verklaard, de klacht ongegrond verklaard ten aanzien van het structureel tekortschieten in de zorgplicht en het onbehoorlijk handelen door het ROC Mondriaan en gegrond verklaard voor zover deze betrekking had op het onvolledig informeren van [appellante]. [appellante] volgt sinds augustus 2022 de opleiding MBO-Verpleegkunde aan de School voor Gezondheidszorg van het ROC Mondriaan in Den Haag. Zij kampt met een chronische aandoening die tijdens haar studie is vastgesteld en die haar fysieke belastbaarheid ernstig beperkt. Dit leidt ertoe dat zij haar opleiding en stages uitsluitend kan volgen onder aangepaste omstandigheden en begeleiding. Het CvB heeft, in reactie op het klaagschrift van [appellante] van 25 augustus 2025, het advies van de klachten- en bezwarenadviescommissie van 5 december 2025 overgenomen. [appellante] heeft zich per 1 september 2025 uitgeschreven van haar opleiding.
Kern van de zaak
Een studente MBO-Verpleegkunde aan ROC Mondriaan met een chronische aandoening diende een klaagschrift in over haar begeleiding. Zij betoogde dat haar brief ook aanvragen en bezwaren bevatte die als besluiten in de zin van de Awb moesten worden behandeld. Het College van Bestuur behandelde de brief uitsluitend als klacht.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het klaagschrift van 25 augustus 2025 uitsluitend als klacht in de zin van artikel 9:1 Awb moet worden aangemerkt, niet als aanvraag of bezwaar. Doorslaggevend is dat appellante de brief zelf als 'klaagschrift' heeft betiteld, expliciet om gegrondverklaring van de klacht heeft verzocht, en dit bij brief van 17 september 2025 heeft bevestigd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie over kwalificatie van geschriften en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke zaak; de uitspraak is bovendien gebaseerd op een incompleet gepubliceerde tekst.
Belangrijkste punten
- 1Appellante volgde MBO-Verpleegkunde met een chronische aandoening die haar fysieke belastbaarheid ernstig beperkte
- 2Zij betoogde dat haar klaagschrift tweeledig was: naast klachten ook aanvragen en bezwaren in de zin van de Awb
- 3De Afdeling weegt de eigen betiteling en bevestiging door appellante zwaar bij de kwalificatie van de brief
- 4De rechtsmiddelenclausule in de beslissing van 9 december 2025 leidde volgens appellante tot gerechtvaardigd vertrouwen op beroepsmogelijkheid
- 5Appellante had zich per 1 september 2025 al uitgeschreven van de opleiding
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de eigen kwalificatie en bevestiging door een indiener van diens brief als klacht zwaar weegt bij de bestuursrechtelijke kwalificatie, ook als de inhoud mogelijk meerdere strekking heeft. Een rechtsmiddelenclausule in een klachtbeslissing schept niet zonder meer toegang tot bestuursrechtelijk beroep.
Praktische impact
Studenten en andere burgers die zowel klachten als bestuursrechtelijke verzoeken of bezwaren willen indienen, dienen dit expliciet gescheiden te doen en hun stukken zorgvuldig te kwalificeren om niet het recht op rechtsbescherming te verliezen.
Onderwerp-impact
Voor onderwijsinstellingen bevestigt de uitspraak dat zij een als klacht ingediende brief ook als klacht mogen behandelen indien de indiener dit zelf consequent zo heeft bestempeld, ook wanneer de inhoud meerdere aspecten omvat.
Samenvatting
Deze zaak betreft een studente MBO-Verpleegkunde aan ROC Mondriaan die lijdt aan een chronische aandoening vastgesteld tijdens haar opleiding, waardoor zij uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kon studeren en stage lopen. Op 25 augustus 2025 diende zij een uitvoerig klaagschrift in bij het Klachtenmeldpunt van ROC Mondriaan over de wijze waarop zij was begeleid. Het College van Bestuur volgde het advies van de klachten- en bezwarenadviescommissie van 5 december 2025. Appellante had zich per 1 september 2025 uitgeschreven. In beroep betoogde appellante dat haar brief niet louter een klacht was in de zin van artikel 9:1, eerste lid, Awb, maar ook aanvragen bevatte in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb. Bovendien stelde zij dat haar brief mede diende als bezwaar tegen een afwijzing van 21 juni 2025 van haar verzoek om de opleiding voort te zetten met een andere studieloopbaanbegeleider, en dat een e-mail van het CvB van 18 maart 2025 als besluit in de zin van de Awb had moeten worden aangemerkt. Verder meende zij aan de in de beslissing van 9 december 2025 opgenomen rechtsmiddelenclausule gerechtvaardigd vertrouwen te mogen ontlenen dat beroep open stond. De Afdeling bestuursrechtspraak verwerpt deze betogen. Zij stelt vast dat appellante de brief zelf uitdrukkelijk als 'klaagschrift' heeft betiteld, daarin expliciet heeft gevraagd om gegrondverklaring van de klacht, en bij een nadere brief van 17 september 2025 heeft bevestigd dat de brief uitsluitend betrekking had op klachten. Deze eigen kwalificatie door appellante is voor de Afdeling doorslaggevend bij de beoordeling of sprake is van een klacht dan wel een aanvraag of bezwaar. De uitspraak onderstreept het belang van zorgvuldige kwalificatie bij het indienen van stukken bij bestuursorganen: wie zijn brief als klacht bestempelt en dit nadien bevestigt, kan moeilijk achteraf betogen dat het ook een bezwaar of aanvraag betrof. De rechtsmiddelenclausule maakt dit oordeel niet anders.