EMA-oplegging na rijden onder invloed terecht gehandhaafd
ECLI:NL:RVS:2026:4265, Raad van State, 22-07-2026, 202500616/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd, omdat hij volgens informatie van de politie in de nacht van 18 op 19 juli 2024 is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcohol. Er is bij hem een ademalcoholgehalte gemeten van 675 µg/l. Een EMA is een verplichte cursus waarbij de cursist bewust wordt gemaakt van de risico’s van alcohol in het verkeer. De kosten van een EMA moet de cursist zelf betalen. Op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat [appellant], om weer in het bezit te komen van een rijbewijs, is begonnen met de EMA en deze bijna heeft afgerond. Hij heeft belang bij deze procedure, omdat de EMA volgens hem ten onrechte is opgelegd en hij een schadevergoeding wenst.
Kern van de zaak
Het CBR legde appellant een verplichte Educatieve Maatregel Alcohol (EMA) op na aanhouding wegens rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 675 µg/l. Appellant betwistte de oplegging en stelde dat medicatiegebruik de oorzaak was van de gemeten waarde. Hij vorderde ook schadevergoeding.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Doorslaggevend is dat appellant zijn stelling over medicatiegebruik als oorzaak van het hoge ademalcoholgehalte niet aannemelijk heeft gemaakt, en dat de gevolgen van de EMA-oplegging niet zodanig onevenredig zijn dat de regelgeving buiten toepassing moet worden gelaten.
Impactscore
LaagHet betreft een bevestiging van bestaande rechtspraktijk rond EMA-oplegging door het CBR zonder nieuwe rechtsvragen of precedentwerking; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Gemeten ademalcoholgehalte van 675 µg/l verplicht het CBR tot oplegging van een EMA op grond van geldende regelgeving.
- 2Appellant slaagde er niet in zijn stelling over medicatiegebruik als verklaring voor het hoge alcoholgehalte te onderbouwen.
- 3Financiële omstandigheden (bijstandsuitkering) vormen geen uitzonderlijk geval dat tot buitentoepassing van de regelgeving noopt.
- 4De mogelijkheid van een betalingsregeling en gebruik van openbaar vervoer temperen de gestelde onevenredigheid van de maatregel.
- 5Verzoek om schadevergoeding afgewezen, mede omdat de EMA terecht was opgelegd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het CBR bij een ademalcoholgehalte boven de wettelijke drempel gebonden is een EMA op te leggen en dat persoonlijke financiële omstandigheden niet snel tot onevenredigheid leiden. Niet-onderbouwde medische verklaringen voor een hoog alcoholgehalte worden niet gevolgd.
Praktische impact
Bestuurders die een EMA betwisten op basis van medicatiegebruik moeten dit concreet en gedocumenteerd onderbouwen. Financiële belemmeringen bieden geen grond voor het achterwege laten van de maatregel, maar kunnen via een betalingsregeling worden opgevangen.
Onderwerp-impact
Voor verkeersgerelateerde bestuursrechtelijke handhaving bevestigt deze uitspraak de strenge lijn: het CBR heeft nauwelijks beoordelingsruimte bij overschrijding van de wettelijke grens, en persoonlijke omstandigheden wegen slechts zwaar bij aantoonbare uitzonderlijkheid.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol (EMA) door het CBR. Appellant werd in de nacht van 18 op 19 juli 2024 aangehouden wegens rijden onder invloed; zijn ademalcohol bedroeg 675 µg/l, ruim boven de wettelijke drempel die oplegging van een EMA verplicht stelt. De EMA is een verplichte cursus gericht op bewustwording van alcoholrisico's in het verkeer, waarvan de kosten voor rekening van de betrokkene komen. Appellant betwistte de oplegging en voerde aan dat het gemeten gehalte het gevolg was van medicatiegebruik. Zowel de voorzieningenrechter als de Afdeling verwierp dit betoog, omdat appellant geen enkel concreet bewijs aanleverde: hij specificeerde niet welke medicatie het betrof, noch onderbouwde hij hoe die medicatie een dergelijk hoog ademalcoholgehalte zou kunnen verklaren. Aan het bewijsrisico voldeed appellant dus niet. Daarnaast stelde appellant dat de gevolgen van de EMA onevenredig zwaar voor hem waren, gelet op zijn bijstandsituatie en het risico dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard bij niet-betaling. De Afdeling volgt dit betoog evenmin. Het leven van een bijstandsuitkering is geen uitzonderlijke omstandigheid die buitentoepassing van de regelgeving rechtvaardigt; appellant kan een betalingsregeling aanvragen en kan voor familiebezoek gebruik maken van het openbaar vervoer. De Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak illustreert dat het CBR bij overschrijding van de wettelijke alcoholgrens weinig tot geen discretionaire ruimte heeft, en dat persoonlijke of financiële omstandigheden alleen in werkelijk uitzonderlijke gevallen tot een andere uitkomst kunnen leiden.