Hoger beroep asielzoeker ongegrond: interstatelijk vertrouwensbeginsel België bevestigd
ECLI:NL:RVS:2026:4259, Raad van State, 24-07-2026, BRS.26.002303
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een zaak over een opvolgende asielaanvraag. De zaak betreft de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De appellant werd bijgestaan door mr. J.C.E. Hoftijzer te Amsterdam.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en dat de Afdeling eerder al op 17 juli 2026 het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België bij opvolgende asielaanvragen heeft beantwoord.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van bestaande rechtspraak via verkorte afdoening en stelt geen nieuwe rechtsregels. De relevante rechtslijn is reeds vastgesteld in de uitspraak van 17 juli 2026.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000: verkorte afdoening zonder nadere motivering
- 2Interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België bij opvolgende asielaanvragen bevestigd conform RvS 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4169)
- 3Geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie vereist conform HvJ 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Geen proceskosten toegewezen aan appellant
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de reeds door de Afdeling ingezette lijn dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is op België bij opvolgende asielaanvragen, en verduidelijkt dat dit geen nieuwe Unierechtelijke vragen oproept na het Remling-arrest. De verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 onderstreept de consolidatie van deze rechtslijn.
Praktische impact
Voor asielzoekers met een opvolgende asielaanvraag die eerder in België hebben verbleven, biedt deze uitspraak weinig ruimte voor hoger beroep: de rechtslijn is vastgesteld en nieuwe argumenten worden snel als onvoldoende beoordeeld. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze zaak dat hoger beroepsprocedures over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor EU-lidstaten als België weinig kans van slagen hebben zolang de Afdeling een consistente lijn hanteert.
Samenvatting
In deze zaak had een asielzoeker hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De zaak betrof een opvolgende asielaanvraag waarbij de minister een beroep had gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht had geoordeeld dat dit vertrouwensbeginsel aan de asielaanvraag in de weg stond en of het hogerberoepschrift rechtsvragen opriep die nadere beantwoording vereisten. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend en verklaart het hoger beroep ongegrond met toepassing van de verkorte motiveringsplicht van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel staat de Afdeling toe een hoger beroep zonder uitvoerige motivering af te doen wanneer de aangevoerde grieven geen vragen opwerpen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Mede bepalend is dat de Afdeling slechts een week eerder, op 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4169), de rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België bij opvolgende asielaanvragen al uitgebreid heeft beantwoord. Het hogerberoepschrift biedt geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Tevens constateert de Afdeling dat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen die aanleiding zouden geven tot het stellen van prejudiciële vragen, zulks in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.