Hoger beroep vreemdeling in bewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4250, Raad van State, 23-07-2026, BRS.26.003417
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant), bijgestaan door mr. H.J.M. Nijholt, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. De zaak betreft de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling heeft het beroep afgedaan zonder nadere motivering op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat en ook ambtshalve geen reden bestaat om de bewaring onrechtmatig te achten.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard vreemdelingenzaak afgedaan via de verkorte procedure zonder inhoudelijke motivering; de zaak stelt geen nieuwe rechtsregels en heeft nauwelijks precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen nadere motivering vereist)
- 2Geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin
- 3Geen Unierechtelijke uitlegvragen conform HvJ-arrest Remling (ECLI:EU:C:2026:243, 24 maart 2026)
- 4Ambtshalve toetsing levert geen reden op om de bewaring onrechtmatig te achten
- 5Geen proceskostenveroordeling voor de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het gebruik van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en verwijst naar het recente HvJ-arrest Remling als toetsingskader voor Unierechtelijke vragen in bewaringszaken. De uitspraak heeft op zichzelf beperkte precedentwerking.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de bevestiging van de uitspraak dat de bewaring rechtmatig wordt geacht en voortduurt. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend, zodat de vreemdeling ook de proceskosten niet vergoed krijgt.
Onderwerp-impact
In het kader van vreemdelingenbewaring bevestigt deze uitspraak dat de rechter ook ambtshalve de rechtmatigheid van de bewaring toetst, maar dat een summier hogerberoepschrift zonder substantiële rechtsvragen snel kan worden afgedaan.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, vertegenwoordigd door advocaat mr. H.J.M. Nijholt, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn vreemdelingenbewaring. De centrale juridische vraag was of de bewaring rechtmatig was opgelegd en of de rechtbank dat oordeel juist had geveld. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Zij deed dit op grond van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die bepaalt dat geen nadere motivering is vereist wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat het hogerberoepschrift dergelijke vragen niet bevatte. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat ook geen vragen aan de orde zijn over de uitleg of geldigheid van Unierecht, mede gelet op het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Ten slotte zag de Afdeling ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte juridische reikwijdte: zij bevestigt de toepassing van de standaard verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en bevat geen inhoudelijk oordeel over de gronden van de bewaring. Voor de appellant heeft de uitspraak de directe consequentie dat zijn bewaring als rechtmatig wordt beschouwd en voortduurt zonder compensatie van proceskosten.