JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:425Middel38/100

Alleenstaande Somalische vrouw krijgt alsnog asiel toegewezen

ECLI:NL:RVS:2026:425, Raad van State, 27-01-2026, 202504810/1/V3

Raad van StateUitspraak: 27 januari 2026Publicatie: 27 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202504810/1/V3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Asielrecht
Somalische Vrouwen
Al Shabaab
Alleenstaande Vrouw
Vreemdelingencirculaire

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluiten van 11 april 2025 en 15 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een Somalisch gezin (appellanten) ging in hoger beroep bij de Raad van State nadat de rechtbank hun asielverzoek had afgewezen. Appellant 1 is een alleenstaande vrouw die vreest voor terugkeer naar Somalië, appellant 2 stelde problemen te hebben gehad met Al-Shabaab. De minister van Asiel en Migratie had de asielverzoeken afgewezen wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende aannemelijkheid.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is gegrond verklaard: de uitspraak van de rechtbank en de ministeriële besluiten zijn vernietigd. De doorslaggevende reden is dat appellant 1 als alleenstaande vrouw uit Somalië op grond van paragraaf C7/30.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire in beginsel recht heeft op een asielvergunning, en de minister dit beleid onvoldoende heeft toegepast.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past bestaand beleid (Vc 2000 C7/30.3.2.2) toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen, maar heeft directe en concrete betekenis voor alleenstaande Somalische vrouwen in vergelijkbare asielprocedures.

Belangrijkste punten

  • 1De grief over de Al-Shabaab-problematiek slaagt niet: de minister mocht de summiere en weinig gedetailleerde verklaringen van appellant 2 tegenwerpen.
  • 2De grief over de tegenstrijdige verklaringen van appellant 2 over persoonlijke benadering door Al-Shabaab was terecht, maar leidde niet tot vernietiging op dit punt.
  • 3Appellant 1 valt als alleenstaande vrouw uit Somalië onder het beschermingsbeleid van paragraaf C7/30.3.2.2 Vc 2000, dat in beginsel recht geeft op een asielvergunning.
  • 4Het overlijden van de schoonmoeder heeft de zelfstandige positie van appellant 1 bij terugkeer naar Somalië relevan verzwakt.
  • 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.802,00 voor beroep en hoger beroep.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat het beleid voor alleenstaande vrouwen uit Somalië (Vc 2000 C7/30.3.2.2) door de minister strikt moet worden toegepast en dat een beroep daarop snel tot vergunningverlening moet leiden. Summiere verklaringen kunnen een ongeloofwaardigheidsoordeel dragen, mits de minister dit deugdelijk motiveert.

Praktische impact

Appellanten ontvangen alsnog een asielvergunning en hoeven niet terug te keren naar Somalië; de minister dient nieuwe besluiten te nemen in lijn met het beleid voor alleenstaande Somalische vrouwen.

Onderwerp-impact

Voor alleenstaande vrouwen uit Somalië die asiel aanvragen in Nederland bevestigt deze uitspraak dat het beschermingsbeleid een sterke basis biedt, ook wanneer sociale steunstructuren (zoals een schoonmoeder) zijn weggevallen.

Samenvatting

In deze zaak gingen een Somalisch gezin in hoger beroep bij de Raad van State tegen de afwijzing van hun asielverzoeken door de minister van Asiel en Migratie en de bevestiging daarvan door de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht). De twee centrale grieven betroffen de gestelde problemen met Al-Shabaab en de vrees van appellant 1, een alleenstaande vrouw, voor terugkeer naar Somalië. Ten aanzien van de Al-Shabaab-grief oordeelde de Raad van State dat de minister terecht had geconcludeerd dat appellant 2 summier en weinig gedetailleerd had verklaard over de gebeurtenissen die zijn asielrelaas onderbouwen. Hoewel de rechtbank een onjuiste overweging had opgenomen over tegenstrijdige verklaringen, leidde dit niet tot vernietiging op dit onderdeel, omdat de summierheid van de verklaringen de ongeloofwaardigheidsbevinding zelfstandig kon dragen. De derde grief, over appellant 1 als alleenstaande vrouw, slaagde wel. Op grond van paragraaf C7/30.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 geldt in beginsel een beschermingsbeleid voor alleenstaande vrouwen uit Somalië. Appellanten hadden aangevoerd dat appellant 1 bij terugkeer niet zelfstandig zou kunnen functioneren, mede omdat haar schoonmoeder — die haar vroeger ondersteunde — inmiddels was overleden. De Raad van State oordeelde dat de minister dit onvoldoende had meegewogen en dat appellant 1 haar vrees aannemelijk had gemaakt in het licht van dit beleid. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als de ministeriële besluiten van april 2025, en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten van € 2.802,00. De uitspraak onderstreept dat het beschermingsbeleid voor alleenstaande Somalische vrouwen serieus en consistent moet worden toegepast.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026OverheidArbeidsrelaties
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19268Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19268, Rechtbank Den Haag, 09-07-2026, NL24.21094 en NL24.21095

Rechtbank Den Haag9 jul 2026OverheidZorg
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen