Beroep 80-jarige vrouw tegen mvv-weigering gegrond verklaard
ECLI:NL:RBDHA:2026:19268, Rechtbank Den Haag, 09-07-2026, NL24.21094 en NL24.21095
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Samenvatting: 80-jarige vrouw die sinds 2022 bij haar zoon verblijft en met een beroep op vrijstelling van het mvv-vereiste wegens medische situatie en vrijstelling op grond van artikel 8 van het EVRM om een verblijfsvergunning heeft gevraagd. Het beroep is gegrond omdat de minister de beide vrijstellingsgronden ondeugdelijk heeft beoordeeld. Ook het beroep op de schrijnendheid is ondeugdelijk beoordeeld. De minister dient een nieuw besluit te nemen.
Kern van de zaak
Een 80-jarige vrouw verblijft sinds 2022 bij haar zonen in Nederland vanwege ernstige medische klachten (epilepsie, vermoedelijke dementie, TIA's). Haar oudste zoon vroeg een verblijfsvergunning aan met vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden en op grond van artikel 8 EVRM. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv, ondanks BMA-adviezen.
Beslissing van de rechter
De rechtbank Den Haag verklaart het beroep gegrond en vernietigt zowel het bestreden besluit van 22 april 2024 als het aanvullende besluit van 26 maart 2026. De minister wordt opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld dat de motivering van de afwijzing van de mvv-vrijstelling niet deugdelijk was.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele vreemdelingenzaak zonder precedentwerking op rechtbanksniveau; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald en stelt geen nieuwe rechtsregels vast, maar past bestaande jurisprudentie toe op specifieke omstandigheden.
Belangrijkste punten
- 180-jarige eiseres verblijft feitelijk al sinds juni 2022 in Nederland bij haar beide zonen en kampt met epilepsie, vermoedelijke dementie, TIA's, hoge bloeddruk en bloedarmoede
- 2Vrijstelling van het mvv-vereiste werd verzocht op medische gronden én op grond van artikel 8 EVRM (recht op gezinsleven)
- 3De minister baseerde de afwijzing op drie BMA-adviezen, maar de rechtbank acht dit onvoldoende dragend voor de beslissing
- 4Zowel het primaire bestreden besluit als het nadere aanvullende besluit worden vernietigd
- 5Minister moet binnen 12 weken opnieuw beslissen; griffierecht (€ 374) en proceskosten (€ 2.802) worden vergoed
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij kwetsbare ouderen met ernstige medische problematiek en feitelijk reeds bestaand gezinsleven in Nederland de motivering voor weigering van mvv-vrijstelling bijzonder zorgvuldig en volledig moet zijn. Afwijzing louter op basis van BMA-adviezen zonder adequate afweging van artikel 8 EVRM kan de rechterlijke toets niet doorstaan.
Praktische impact
Eiseres krijgt een nieuwe kans op een verblijfsvergunning doordat de minister een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit moet nemen; haar verblijf bij haar zonen in Nederland kan vooralsnog worden voortgezet in afwachting van dit nieuwe besluit.
Onderwerp-impact
Voor ouderen met medische beperkingen die bij familieleden in Nederland verblijven, onderstreept deze zaak het belang van een zorgvuldige toetsing van zowel medische vrijstellingsgronden als de gezinslevensbescherming onder artikel 8 EVRM bij mvv-aanvragen.
Samenvatting
Een 80-jarige vrouw verblijft sinds juni 2022 in Nederland bij haar oudste en jongste zoon. Zij kampt met ernstige medische klachten, waaronder epilepsie, vermoedelijke dementie (zonder officiële diagnose), TIA's in het verleden, hoge bloeddruk en bloedarmoede. Vanwege haar verslechterende gezondheid besloot haar oudste zoon haar vanuit het buitenland mee naar Nederland te nemen. In november 2022 diende hij namens haar een aanvraag in voor een verblijfsvergunning, met een verzoek om vrijstelling van het machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-vereiste op medische gronden en op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op respect voor het gezinsleven). De minister wees de aanvraag af en handhaafde die afwijzing in bezwaar, daarbij steunend op drie BMA-adviezen (van februari 2023, maart 2023 en februari 2024), op grond waarvan geconcludeerd werd dat eiseres niet in aanmerking kwam voor medische vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres ging in beroep bij de Rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt zowel het bestreden besluit van 22 april 2024 als het aanvullende besluit van 26 maart 2026. De doorslaggevende reden is dat de motivering van de minister — mede gelet op de ernstige medische situatie van eiseres en haar feitelijk reeds bestaande gezinsleven in Nederland — niet voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid en deugdelijke motivering. De minister wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister dient het griffierecht van € 374 te vergoeden en wordt veroordeeld tot betaling van € 2.802 aan proceskosten.