Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting via voorlopige voorziening
ECLI:NL:RVS:2026:4241, Raad van State, 23-07-2026, BRS.26.003655
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter van de Raad van State. Hij verzocht om niet te worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en om recht op opvang en verstrekkingen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00, doorslaggevend is de verwijzing naar de standaard-uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorzieningenprocedure zonder inhoudelijke beoordeling van de asiel- of verblijfsrechtelijke gronden; de uitspraak volgt enkel een vaste standaardlijn en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen op basis van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 2Uitzetting geschorst tot beslissing op het ingestelde hoger beroep
- 3Verzoek om opvang en verstrekkingen maakt onderdeel uit van het verzoek
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is beknopt en verwijst uitsluitend naar standaard-toetsingskader zonder inhoudelijke motivering van de zaak zelf
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat een voorlopige voorziening in vreemdelingenzaken wordt getroffen op grond van het standaard-toetsingskader uit 2019, zonder dat de voorzieningenrechter de individuele omstandigheden uitgebreid motiveert. Dit heeft beperkte prejudiciële waarde maar illustreert de routineuze toepassing van dit kader.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende de hoger beroepsprocedure. De minister wordt geconfronteerd met proceskosten en kan niet overgaan tot uitzetting zolang de bodemprocedure loopt.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat de drempel voor het treffen van een voorlopige voorziening ter schorsing van uitzetting laag blijft en dat de standaardjurisprudentie consequent wordt toegepast.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd in het kader van een door hem ingesteld hoger beroep. Het verzoek strekte ertoe dat hij niet zou worden uitgezet zolang op het hoger beroep nog niet was beslist, en dat hij in de tussentijd recht zou hebben op opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ingewilligd. Zonder uitgebreide inhoudelijke motivering van de individuele omstandigheden verwijst de uitspraak naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), waaruit volgt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen op grond van de in dat arrest neergelegde maatstaf. Dit is een standaardwerkwijze in vreemdelingenzaken bij de Raad van State, waarbij de enkele instelling van hoger beroep gecombineerd met een verzoek om schorsing van de uitzetting in de regel leidt tot toewijzing van de voorziening. Concreet bepaalt de voorzieningenrechter dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, begroot op € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft geen rechtsvormende betekenis en stelt geen nieuwe juridische normen. Het illustreert echter de praktijk waarbij vreemdelingen via een voorlopige voorziening effectieve rechtsbescherming kunnen verkrijgen gedurende de hoger beroepsprocedure. Voor de vreemdeling betekent dit een tijdelijke maar belangrijke bescherming tegen uitzetting en recht op voorzieningen.