Hoger beroep bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4240, Raad van State, 23-07-2026, BRS.26.002529
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld en de termijn van deze maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De kern van het geschil betrof de vraag of een periode van bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 meetelt bij de berekening van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en dat de opgeworpen rechtsvraag reeds was beantwoord in een eerdere uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak volgt uitsluitend bestaande jurisprudentie en past de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en de rechtsvraag was al eerder beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte motiveringsplicht ex artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist bij ontbreken van relevante rechtsvragen.
- 2De vraag of bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 meetelt bij de maximale bewaringsduur (art. 59 lid 5 en 6 Vw 2000) was al beantwoord in RvS 16 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4092.
- 3Geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, gelet op de acte éclairé-doctrine (Cilfit, Consorzio Italian Management, Remling).
- 4Er zijn geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht aan de orde (arrest Remling, punten 24 en 31).
- 5Ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten; geen proceskostenveroordeling voor de minister.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn uit RvS 16 juli 2026 over de berekening van de maximale bewaringsduur en past de vaste Cilfit-doctrine toe ter afwijzing van een prejudiciële verwijzing, zonder nieuwe rechtsregels te stellen.
Praktische impact
Voor de appellant heeft de beslissing tot gevolg dat zijn bewaring rechtsgeldig wordt bevonden en hij geen aanspraak kan maken op proceskostenvergoeding. Voor de minister worden de bevoegdheden tot bewaring op grond van de Vw 2000 bevestigd.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht wordt de bestaande praktijk van bewaringsberekening bevestigd, waardoor bestuursorganen en rechtbanken duidelijkheid krijgen over de samentelling van bewaringsperiodes onder verschillende wetsartikelen.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door mr. D. Matadien (advocaat te Rotterdam), hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De centrale rechtsvraag betrof of een periode van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient mee te tellen bij de berekening van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw 2000. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De Afdeling paste daarbij de verkorte afdoeningsgrond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toe, op grond waarvan een nadere motivering achterwege kan blijven wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Doorslaggevend was dat de opgeworpen rechtsvraag slechts een week eerder reeds was beantwoord in de uitspraak van 16 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4092). Het hoger beroep bood geen reden om in dit geval anders te oordelen. Tevens zag de Afdeling geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Onder verwijzing naar de arresten Cilfit (1982), Consorzio Italian Management (2021) en Remling (2026) was de rechtsvraag reeds beantwoordbaar aan de hand van bestaande Unierechtelijke rechtspraak (acte éclairé), en waren er evenmin vragen aan de orde over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht. Ambtshalve werd evenmin reden gezien de bewaring onrechtmatig te achten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.