JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4238Laag4/100

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen na hoofduitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:4238, Raad van State, 22-07-2026, 202601870/2/A2

Raad van StateUitspraak: 22 juli 2026Publicatie: 21 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:202601870/2/A2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
Voorlopige Voorziening
Procesbelang
Raad Van State
Voorzieningenrechter
Procedureel

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij e-mailbericht van 6 januari 2026 heeft het college van bestuur van Tilburg University aan [verzoeker] meegedeeld niet mee te willen werken aan het verzoek om te faciliteren dat zijn collegegeld door The United States Department of Veterans Affairs (USDVA) wordt voldaan.

Kern van de zaak

Een partij had een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de Raad van State. Op dezelfde dag deed de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak in de hoofdzaak (nr. 202601870/1/A2), waardoor het spoedeisend belang aan het verzoek kwam te vervallen.

Beslissing van de rechter

Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen omdat de Afdeling op dezelfde dag uitspraak deed in de bodemzaak, zodat er geen sprake meer was van een lopend geding. Nu geen procesbelang meer bestond, wees de voorzieningenrechter het verzoek af zonder proceskostenveroordeling.

4van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is volledig procedureel van aard en herhaalt een vaste rechtsregel zonder nieuwe inhoudelijke normstelling; de maatschappelijke en juridische impact is minimaal.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening vervalt van rechtswege zodra de bodemzaak is beslist
  • 2Hoofdzaak (202601870/1/A2) en voorlopige voorzieningszaak werden op dezelfde dag behandeld
  • 3Geen procesbelang meer aanwezig na uitspraak in de hoofdzaak
  • 4Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden
  • 5Uitspraak betreft uitsluitend een procedurele beslissing zonder inhoudelijke beoordeling

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de standaardregel dat een verzoek om voorlopige voorziening zijn grondslag verliest zodra in de hoofdzaak is beslist, en heeft geen zelfstandige juridische betekenis buiten deze procedure.

Praktische impact

Voor verzoeker heeft de afwijzing geen zelfstandig nadelig gevolg, omdat de beslissing in de hoofdzaak bepalend is voor de rechtspositie; de proceskosten komen voor eigen rekening.

Onderwerp-impact

De zaak heeft geen specifieke sector- of onderwerpsimpact; het betreft een puur procedurele beslissing in een bestuursrechtelijke context.

Samenvatting

Op 22 juli 2026 deed de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een verzoek om voorlopige voorziening (zaaknummer 202601870/2/A2). Het verzoek was ingediend hangende de bodemzaak bij de Afdeling met kenmerk 202601870/1/A2. De inhoud van het geschil is uit de beschikbare uitspraaктekst niet te achterhalen, nu de overwegingen slechts betrekking hebben op de procedurele afhandeling. De voorzieningenrechter overwoog dat de Afdeling op diezelfde dag uitspraak had gedaan in de hoofdzaak, waardoor er geen sprake meer was van een aanhangig geding. Een voorlopige voorziening heeft per definitie een tijdelijk karakter en is bedoeld om de situatie te bewaren totdat in de bodemzaak is beslist. Nu die beslissing er op het moment van de behandeling al lag, ontbrak ieder procesbelang bij het verzoek. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af. Aan een inhoudelijke beoordeling van de spoedeisendheid of een afweging van belangen werd niet toegekomen. Het college werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is procedureel van aard en bevestigt de vaste lijn dat een voorlopige voorziening zijn bestaansgrond verliest zodra de hoofdzaak is afgedaan. Voor de rechtspraktijk heeft deze beslissing geen zelfstandige betekenis; de uitkomst van de bodemzaak (202601870/1/A2) is bepalend voor de rechtspositie van partijen. Vanwege de zeer beperkte tekst van de uitspraak bestaat onzekerheid over de feitelijke achtergrond en het bestuursrechtelijke onderwerp van het onderliggende geschil.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied