Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:4237, Raad van State, 22-07-2026, BRS.26.003127
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door een advocaat uit Rotterdam, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn vreemdelingenbewaring rechtmatig had geoordeeld. Hij betwistte daarmee de rechtmatigheid van zijn detentie op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank over en ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten; het hogerberoepschrift bevat geen rechtseenheidsvragen en ook geen vragen over de uitleg van Unierecht.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige bewaringsuitspraak zonder nieuwe rechtsvragen; de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt standaard toegepast en de verwijzing naar Remling is illustratief maar niet rechtsvormd.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past de verkorte motiveringsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, omdat het hogerberoepschrift geen vragen stelt die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen.
- 2Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht in de zin van het arrest Remling (HvJEU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243).
- 3De Afdeling heeft ook ambtshalve getoetst of de bewaring rechtmatig was en geen grond voor onrechtmatigheid gevonden.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, wat past bij de routinematige aard van de zaak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn waarbij de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt toegepast in bewaringszaken zonder rechtseenheidsvragen, en verwijst expliciet naar het recente Remling-arrest voor de Unierechtelijke grens van die procedure.
Praktische impact
Voor appellant betekent de bevestiging dat de bewaring rechtmatig blijft en hij geen aanspraak heeft op schadevergoeding of proceskosten; de bewaring kan worden voortgezet.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken betreffende bewaring wordt de drempel voor een inhoudelijke behandeling in hoger beroep door dit arrest opnieuw onderstreept: enkel zaken met principiële rechtsvragen komen toe aan een volledige motivering.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door een advocaat uit Rotterdam, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had geoordeeld dat zijn vreemdelingenbewaring rechtmatig was. De centrale rechtsvraag in hoger beroep was of dat oordeel stand kon houden en, ambtshalve, of er enige reden bestond om de bewaring alsnog onrechtmatig te achten. De Afdeling beantwoordt beide vragen ontkennend en verklaart het hoger beroep ongegrond. Zij past daarbij de verkorte motiveringsgrond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe. Dit artikel maakt het mogelijk om een hogerberoepschrift zonder uitgebreide motivering af te doen wanneer daarin geen vragen worden opgeworpen die in het belang zijn van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin. Aan die drempel is in deze zaak niet voldaan. Daarnaast overweegt de Afdeling dat ook geen vragen aan de orde zijn over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht. Daarbij verwijst zij naar het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243), waaruit volgt wanneer een nationale rechter gehouden is prejudiciële vragen te stellen of een inhoudelijke Unierechtelijke toets te verrichten. Nu ook aan die voorwaarden niet is voldaan, is verdere motivering niet vereist. De Afdeling heeft ten slotte ambtshalve getoetst of de bewaring om andere redenen onrechtmatig zou zijn, maar ook daarvoor bestaat geen grond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitkomst is daarmee volledig in het nadeel van appellant.