Hoger beroep ongegrond: bezwaar ruim te laat ingediend
ECLI:NL:RVS:2026:4234, Raad van State, 10-07-2026, 202505230/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 10 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] medegedeeld dat haar zorgtoeslagen over 2015 en 2016 zijn herzien en zijn bepaald op € 0,00. Op 3 september 2024 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 januari 2023. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens de overschrijding van de bezwaartermijn die liep tot 22 februari 2023. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Kern van de zaak
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van de Dienst Toeslagen van 10 januari 2023, maar deed dit pas op 3 september 2024 — ruim anderhalf jaar later. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Appellante stelt dat de bezwaarmiddelenclausules niet in de besluiten waren opgenomen en beroept zich op een uitspraak van het CBb.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelt dat de bezwaarmiddelenclausules wel degelijk in de besluiten van 10 januari 2023 waren opgenomen, en dat appellante desondanks pas op 3 september 2024 bezwaar heeft ingediend — meer dan een jaar nadat zij op 10 augustus 2023 voor het eerst contact zocht met de Dienst Toeslagen. De proceskosten worden niet vergoed.
Impactscore
LaagHet betreft een enkelvoudige kamer-uitspraak die een feitelijk en procedureel oordeel geeft over een individuele zaak rondom termijnoverschrijding; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Bezwaar is ingediend op 3 september 2024, ruim na de wettelijke bezwaartermijn van zes weken na de besluiten van 10 januari 2023.
- 2Appellante beriep zich op het ontbreken van bezwaarmiddelenclausules, maar de Afdeling stelt vast dat deze clausules wel degelijk aanwezig waren in de bestreden besluiten.
- 3Op 10 augustus 2023 zocht appellante voor het eerst contact met de Dienst Toeslagen, waarna zij nog een jaar wachtte met het indienen van bezwaar.
- 4De beroepsgrond gebaseerd op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 slaagt niet, mede door een onjuiste lezing en uitleg van die uitspraak.
- 5De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het strikte toepassen van bezwaartermijnen en de vereiste aanwezigheid van bezwaarmiddelenclausules als voorwaarde voor verschoonbaarheid van termijnoverschrijding. Een foutieve lezing van jurisprudentie ontslaat een partij niet van de plicht tijdig bezwaar te maken.
Praktische impact
Appellante verliest haar mogelijkheid om de besluiten van de Dienst Toeslagen inhoudelijk aan te laten toetsen, omdat haar bezwaar definitief niet-ontvankelijk blijft wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Onderwerp-impact
Voor toeslaggerechtigden benadrukt deze uitspraak het belang van tijdig handelen na ontvangst van besluiten van de Dienst Toeslagen, ook wanneer men twijfelt over de aanwezigheid van rechtsmiddelenclausules.
Samenvatting
In deze zaak heeft appellante bezwaar gemaakt tegen twee besluiten van de Dienst Toeslagen van 10 januari 2023, maar deed dat pas op 3 september 2024 — ruim anderhalf jaar na de besluiten en ver buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, welk oordeel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoger beroep bevestigt. Appellante voerde aan dat de besluiten geen bezwaarmiddelenclausules bevatten, hetgeen haar termijnoverschrijding verschoonbaar zou maken. De Afdeling verwerpt dit verweer uitdrukkelijk: de clausules waren wel degelijk opgenomen in de besluiten van 10 januari 2023. Appellante kon hieruit dus begrijpen dat zij binnen zes weken bezwaar diende te maken. Daarnaast beroept appellante zich op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024. Ook dit argument slaagt niet, omdat de Afdeling vaststelt dat appellante die uitspraak onjuist leest en uitlegt. Opvallend is dat appellante op 10 augustus 2023 — ruim zeven maanden na de besluiten — voor het eerst contact zocht met de Dienst Toeslagen. Daarna heeft zij nog eens een jaar gewacht voordat zij op 3 september 2024 een bezwaarschrift indiende. De Afdeling acht dit onacceptabel, nu appellante al langer op de hoogte was van de besluiten en de bijbehorende rechtsmiddelenclausules. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De besluiten van de Dienst Toeslagen blijven aldus onaangetast en appellante krijgt geen inhoudelijke beoordeling van haar bezwaren. Proceskosten worden niet vergoed. De uitspraak illustreert het belang van tijdig handelen voor toeslaggerechtigden en de strikte toepassing van bezwaartermijnen in het bestuursrecht.