RvS corrigeert ontbrekende proceskostenveroordeling in vreemdelingenbewaring
ECLI:NL:RVS:2026:4232, Raad van State, 22-07-2026, BRS.26.003220
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State nadat de rechtbank Den Haag weliswaar een gebrek had vastgesteld aan zijn ophouding en de minister in de proceskosten had veroordeeld, maar vervolgens vergat deze proceskostenveroordeling op te nemen in het dictum van de uitspraak.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard voor zover het de ontbrekende proceskostenveroordeling betreft; de Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank op dit onderdeel en veroordeelt de minister alsnog in de proceskosten van zowel beroep als hoger beroep. De overige grieven falen op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 omdat zij geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevatten.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedurele correctie van een omissie in het dictum en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 is standaard praktijk.
Belangrijkste punten
- 1Rechtbank stelde gebrek aan ophouding vast maar vergat de proceskostenveroordeling in het dictum op te nemen, wat een herstelbare fout is.
- 2Grief 3 slaagt: de Raad van State corrigeert de omissie en veroordeelt de minister alsnog in de proceskosten van beroep én hoger beroep.
- 3Grieven 1, 2 en 4 worden afgedaan met de verkorte motiveringsplicht van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (cassatiefilter).
- 4Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht in de zin van het Remling-arrest (HvJ EU 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243).
- 5Ambtshalve toetsing door de Afdeling levert geen aanleiding op om de bewaring onrechtmatig te achten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van het vreemdelingenrechtelijke cassatiefilter van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en bevestigt dat een vergeten proceskostenveroordeling in het dictum via hoger beroep kan worden hersteld. De Remling-doctrine wordt als toetssteen gehanteerd bij de beoordeling of Unierechtelijke vragen nader beantwoord moeten worden.
Praktische impact
De minister van Asiel en Migratie moet de proceskosten van zowel de beroepsprocedure als het hoger beroep vergoeden; voor de vreemdeling betekent dit een financiële correctie voor de gemaakte advocaatkosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringzaken benadrukt deze uitspraak dat rechtbanken ook het dictum zorgvuldig moeten opstellen: een oordeel over proceskosten in de overwegingen zonder opname in de beslissing is een voor hoger beroep vatbare omissie.
Samenvatting
In deze zaak bij de Raad van State stond centraal een ogenschijnlijk kleine maar praktisch relevante procedurele fout. De rechtbank Den Haag had in haar uitspraak van 25 juni 2026 vastgesteld dat er een gebrek kleefde aan de ophouding van appellant, een vreemdeling. Op grond daarvan overwoog de rechtbank de minister van Asiel en Migratie in de proceskosten te veroordelen. Bij het opstellen van het dictum liet de rechtbank deze proceskostenveroordeling echter achterwege, waardoor appellant feitelijk verstoken bleef van de kostenvergoeding waarop hij recht had. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In grief 3 klaagde hij terecht over deze omissie. De Afdeling stelde vast dat de rechtbank in haar overwegingen uitdrukkelijk een gebrek had aangenomen en een proceskostenveroordeling had aangekondigd, maar dat dit oordeel niet was doorvertaald naar de beslissing. Dit levert een vernietigbare uitspraak op voor dat specifieke onderdeel. De overige grieven (1, 2 en 4) werden door de Afdeling afgedaan met de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000. Dit zogenoemde vreemdelingenrechtelijke cassatiefilter staat de Afdeling toe om grieven zonder nadere motivering te verwerpen indien zij geen vragen bevatten die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen. De Afdeling toetste daarbij ook of vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht aan de orde waren, conform het recente Remling-arrest van het Hof van Justitie (24 maart 2026). Dat was niet het geval. Ambtshalve zag de Afdeling evenmin reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard op het punt van de proceskostenveroordeling. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in zowel beroep als hoger beroep. De uitspraak is voor het overige bevestigd.