JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4225

ECLI:NL:RVS:2026:4225, Raad van State, 16-07-2026, 202502215/1/R3

Raad van StateUitspraak: 16 juli 2026Publicatie: 20 juli 2026
Zaaknummer:202502215/1/R3

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 26 oktober 2022, aangevuld bij besluit van 23 november 2022, heeft het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn aan [partij A] en [partij B] een last onder dwangsom opgelegd, waarbij is bepaald dat als niet binnen de begunstigingstermijn aan de last is voldaan, zij een dwangsom verbeuren van € 1.500,- per week dat de overtreding niet is beëindigd met een maximum van € 15.000,- [partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie] (het perceel). Het college heeft hen een last onder dwangsom opgelegd, omdat - onder meer - het oppervlak van de op het perceel staande bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan het voor het perceel geldende totale oppervlak van 150 m2. Naar aanleiding van een controle op 20 januari 2023 heeft het college [partij A] en [partij B] bij brief van 17 februari 2023 laten weten dat zij aan de last hebben voldaan en dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd. [appellant A] en [appellant B] waren het niet eens met de conclusie dat aan de last was voldaan en hebben het college verzocht om tot invordering van de (volgens hen) verbeurde dwangsom over te gaan. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 18 juli 2023 afgewezen. Volgens het college bedraagt het oppervlak van de op het perceel staande bijbehorende bouwwerken bij nader inzien toch meer dan het voor het perceel geldende totale oppervlak van 150 m2, waardoor een dwangsom is verbeurd, maar is het onevenredig om die dwangsom in te vorderen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college heeft kunnen afzien van invordering.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken