JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4214Middel38/100

Geen zicht op uitzetting Algerije na drie jaar laissez-passer

ECLI:NL:RVS:2026:4214, Raad van State, 21-07-2026, BRS.26.000122

Raad van StateUitspraak: 21 juli 2026Publicatie: 17 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.000122
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Proceskosten
Vreemdelingenbewaring
Laissez Passer
Zicht Op Uitzetting
Algerije

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 22 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

De minister van Asiel en Migratie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de bewaring van een Algerijns staatsburger. De bewaring werd onrechtmatig geacht omdat er geen zicht op uitzetting naar Algerije bestond, ondanks een laissez-passeraanvraag die al meer dan drie jaar liep zonder reactie van de Algerijnse autoriteiten.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, maar uitsluitend op het punt van de proceskostenberekening: de rechtbank kende ten onrechte twee punten toe voor het beroepschrift en de afzonderlijke beroepsgronden. Op het materiële punt – geen zicht op uitzetting – wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd, omdat maandelijks rappelleren na drie jaar onvoldoende is zonder enig concreet aanknopingspunt voor een naderende laissez-passer.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt en verduidelijkt bestaande jurisprudentie over zicht op uitzetting bij langdurige laissez-passeraanvragen, maar introduceert geen fundamenteel nieuwe rechtsregel. De praktische betekenis voor vergelijkbare Algerije-zaken is echter relevant.

Belangrijkste punten

  • 1Enkele lange duur van een laissez-passeraanvraag is op zichzelf niet bepalend; alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
  • 2Na meer dan drie jaar zonder reactie van de Algerijnse autoriteiten, geen geplande presentatie en geen aantoonbaar contact, is maandelijks rappelleren onvoldoende om zicht op uitzetting aan te nemen.
  • 3Het niet actief meewerken van betrokkene aan terugkeer weegt mee in het nadeel van betrokkene, maar heft het ontbreken van zicht op uitzetting niet op.
  • 4Voor de proceskostenvergoeding geldt dat een beroepschrift zonder inhoudelijke gronden en de later ingediende beroepsgronden samen slechts één punt opleveren onder het Besluit proceskosten bestuursrecht.
  • 5De bewaring is vanaf het begin onrechtmatig geacht; de proceskosten in hoger beroep worden niet vergoed.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat bij langdurige laissez-passeraanvragen (meer dan drie jaar) maandelijks rappelleren zonder verder aantoonbaar diplomatiek contact onvoldoende is om zicht op uitzetting te onderbouwen. Tevens bevestigt de Afdeling de strikte uitleg van het Besluit proceskosten bestuursrecht bij gesplitst ingediende beroepschriften.

Praktische impact

Voor de minister betekent dit dat bij langlopende laissez-passeraanvragen actievere en aantoonbare inspanningen richting de betreffende autoriteiten noodzakelijk zijn om bewaring te kunnen handhaven. Voor betrokkene resulteert de uitspraak in een lagere proceskostenvergoeding van € 943,00 in plaats van € 1.868,00.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenbewaring-zaken waarbij terugkeer naar Noord-Afrikaanse landen moeizaam verloopt, stelt deze uitspraak een duidelijke grens: na drie jaar zonder concreet resultaat kan de overheid niet langer volstaan met periodiek rappelleren als bewijs van zicht op uitzetting.

Samenvatting

Deze zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de vreemdelingenbewaring van een Algerijns staatsburger. Op 16 mei 2023 was een laissez-passeraanvraag ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Meer dan drie jaar later was hierop geen reactie ontvangen, was er geen presentatie gepland en had de minister geen aantoonbaar contact met de Algerijnse autoriteiten kunnen onderbouwen. De minister voerde maandelijks rappel, maar zonder enig concreet aanknopingspunt dat de autoriteiten binnen afzienbare tijd een laissez-passer zouden verlenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De Afdeling benadrukt dat niet de enkele duur van de aanvraag beslissend is, maar dat alle omstandigheden van het geval moeten worden bezien. Het feit dat betrokkene niet actief meewerkt aan zijn terugkeer weegt mee in zijn nadeel, maar compenseert niet het volledige ontbreken van concrete aanwijzingen dat de Algerijnse autoriteiten zullen handelen. Na drie jaar is maandelijks rappelleren onvoldoende; de minister had meer actieve en aantoonbare diplomatieke stappen moeten zetten. De bewaring wordt dan ook als van het begin af aan onrechtmatig aangemerkt. Het hoger beroep slaagt uitsluitend op een procesrechtelijk punt: de rechtbank kende ten onrechte twee proceskostenpunten toe voor het beroepschrift en de afzonderlijk ingediende beroepsgronden, terwijl het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het indienen van een beroepschrift slechts één punt kent. De beroepsgronden worden geacht onderdeel te zijn van het eerder ingediende beroepschrift. De proceskostenvergoeding wordt daarom verlaagd van € 1.868,00 naar € 943,00. Voor het overige wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 30 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied