Raad van State onbevoegd in hoger beroep bewaring vreemdeling
ECLI:NL:RVS:2026:4205, Raad van State, 21-07-2026, BRS.26.002577
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld en de termijn van deze maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een rechtbankuitspraak over het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring. De zaak betreft de toepassing van artikel 96 Vreemdelingenwet 2000, waarbij de wet hoger beroep expliciet uitsluit.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De doorslaggevende reden is dat artikel 84, aanhef en onder a, Vw 2000 hoger beroep tegen uitspraken over het voortduren van bewaring uitdrukkelijk verbiedt, en de uitzondering voor doorbreking van dit verbod (het ontbreken van een eerlijk proces) doet zich hier niet voor.
Impactscore
LaagDe uitspraak past geheel binnen gevestigde jurisprudentie en betreft een standaard onbevoegdheidsverklaring op basis van een uitdrukkelijk wettelijk verbod; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 84 aanhef en onder a Vw 2000 sluit hoger beroep uit tegen uitspraken over het voortduren van vreemdelingenbewaring (artikel 96 Vw 2000)
- 2Het appelverbod kan alleen worden doorbroken indien geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden
- 3Appellant voerde geen omstandigheden aan die doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen
- 4De Raad van State verklaart zich onbevoegd; geen proceskosten worden vergoed
- 5Beslissing door enkelvoudige kamer, wat de routinematige aard van de onbevoegdheidsverklaring onderstreept
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat het wettelijk appelverbod van artikel 84 Vw 2000 inzake voortduring van bewaring strikt wordt gehandhaafd en alleen bij schending van het recht op een eerlijk proces kan worden doorbroken.
Praktische impact
Vreemdelingen in bewaring hebben geen rechtsmiddel bij de Raad van State tegen rechtbankuitspraken over het voortduren van bewaring, tenzij zij concrete aanknopingspunten voor een oneerlijk proces kunnen aantonen.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht beperkt dit de rechtsbeschermingsmogelijkheden van vreemdelingen in bewaring tot de rechtbank, hetgeen de snelheid van procedures bevordert maar de toegang tot hoger toezicht beperkt.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2026 betreft een hoger beroep van een vreemdeling (appellant) tegen een uitspraak van de rechtbank over het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring op grond van artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Appellant werd bijgestaan door mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam. De centrale juridische vraag was of de Raad van State bevoegd was om van dit hoger beroep kennis te nemen. Artikel 84, aanhef en onder a, Vw 2000 bepaalt uitdrukkelijk dat tegen uitspraken over het voortduren van de maatregel van bewaring geen hoger beroep openstaat. Dit appelverbod kent slechts één uitzondering: de zogenoemde doorbrekingsgrond, die inhoudt dat het verbod terzijde kan worden gesteld indien in eerste aanleg geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 6 EVRM of de fundamentele beginselen van een behoorlijk procesrecht. Appellant voerde geen feiten of omstandigheden aan die aanleiding gaven om aan te nemen dat de rechtbank hem geen eerlijk proces had geboden. De Afdeling oordeelde dan ook dat de doorbrekingsgrond zich niet voordeed en dat het appelverbod onverminderd van kracht was. Op grond hiervan verklaarde de Raad van State zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Proceskosten werden niet vergoed aan de minister. De beslissing werd genomen door een enkelvoudige kamer, wat illustreert dat het om een juridisch onomstreden kwestie gaat. De uitspraak bevestigt de bestaande, strikte uitleg van het wettelijk appelverbod in vreemdelingenbewaringszaken en heeft geen zelfstandige rechtsontwikkelende betekenis.