Bewaring asielzoeker na zienswijze rechtmatig verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4204, Raad van State, 21-07-2026, BRS.26.001775
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Een asielzoeker (appellant) bestreed in hoger beroep zijn vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b lid 1 onder b Vw 2000. Hij betoogde dat de bewaringsgrond na het indienen van de zienswijze niet langer kon worden toegepast. De Raad van State moest beoordelen of bewaring ter verkrijging van gegevens voor de asielaanvraag ook na de zienswijzefase toelaatbaar is.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling oordeelt dat de bewaringsgrond van artikel 59b lid 1 onder b Vw 2000 geldt voor de gehele duur van de behandeling van het asielverzoek, dus ook na het indienen van de zienswijze, omdat ook dan nog nader onderzoek of gegevensvergaring noodzakelijk kan zijn.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor de vreemdelingenbewaringspraktijk en corrigeert afwijkende lagere rechtspraak, maar introduceert geen nieuw recht; zij bevestigt een eerder in 2021 gevestigde lijn van de Afdeling.
Belangrijkste punten
- 1Bewaringsgrond art. 59b lid 1 sub b Vw 2000 (gegevensvergaring asielaanvraag) geldt voor de volledige behandelduur, niet slechts tot de zienswijze
- 2Verwijzing appellant naar uitspraak Rb. Den Haag zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2024:14301) wordt uitdrukkelijk verworpen
- 3Geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU, nu redelijkerwijs geen twijfel bestaat (acte clair, Cilfit-doctrine)
- 4Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: beknopte motivering omdat geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvraag speelt
- 5Ambtshalve geen reden gevonden om de bewaring onrechtmatig te achten
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en versterkt de vaste lijn dat de bewaringsgrond voor gegevensvergaring doorloopt gedurende de gehele asielprocedure en niet eindigt bij de zienswijze, waarmee een afwijkende lagere rechtspraak wordt gecorrigeerd.
Praktische impact
Asielzoekers die in bewaring zijn gesteld op grond van artikel 59b lid 1 sub b Vw 2000 kunnen zich na het indienen van hun zienswijze niet met succes beroepen op het vervallen van deze bewaringsgrond, waardoor de bewaring in beginsel kan voortduren tot de beslissing op de asielaanvraag.
Onderwerp-impact
Voor de vreemdelingenpraktijk bevestigt dit arrest dat de minister ook in een laat stadium van de asielprocedure bewaring op informatievergaring mag baseren, wat de ruimte voor rechtmatige bewaring vergroot.
Samenvatting
In deze zaak stond de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring centraal. Appellant was op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld teneinde gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan zijn asielverzoek. Hij betoogde in hoger beroep dat deze bewaringsgrond na het indienen van de zienswijze niet langer kon worden toegepast, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 september 2024. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 4 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:230) overweegt de Afdeling dat de bewaringsgrond bedoeld is voor de gehele duur van de behandeling van het asielverzoek, tot aan de beslissing daarop door de minister. Ook na de zienswijzefase kan nog aanleiding bestaan voor nader onderzoek of het vergaren van aanvullende gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. De door appellant ingeroepen lagere rechtspraak wordt daarmee uitdrukkelijk terzijde gesteld. Omdat redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het antwoord op de opgeworpen rechtsvraag, ziet de Afdeling evenmin aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie; zij past hierbij de acte clair-doctrine toe conform de Cilfit-jurisprudentie en het recente Remling-arrest. Ambtshalve wordt evenmin een grond gevonden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De uitspraak is processueel afgedaan op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000, hetgeen een verkorte motivering rechtvaardigt nu er geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsbelang in het geding is. De beslissing consolideert de bestaande praktijk rondom de toepassing van de asielbewaringsgrond.