Asielverzoek afgewezen wegens ongeloofwaardige verklaringen demonstratie
ECLI:NL:RVS:2026:4203, Raad van State, 20-07-2026, BRS.26.003165
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een afwijzing van zijn asielverzoek. De minister had zijn verklaringen over betrokkenheid bij een demonstratie als ongeloofwaardig beoordeeld. Appellant betwistte het gehanteerde toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling en vroeg om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend was dat appellant wisselend en niet samenhangend heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de demonstratie, waarbij het ontbreken van documenten niet de dragende grond was voor de ongeloofwaardigheidsbeoordeling. Het stellen van prejudiciële vragen was niet nodig omdat beantwoording van de opgeworpen EU-rechtelijke vraag niet noodzakelijk was voor de oplossing van de zaak.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele asielzaak die met verkorte motivering is afgedaan zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; er worden geen richtinggevende regels gesteld en de EU-rechtelijke vraag blijft uitdrukkelijk onbeantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Appellant verklaarde wisselend over zijn betrokkenheid bij een demonstratie, hetgeen de ongeloofwaardigheidsbeoordeling droeg
- 2Het ontbreken van documenten was niet de dragende grond voor het standpunt van de minister
- 3De minister heeft alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien
- 4Prejudiciële vragen aan het HvJ EU waren niet nodig omdat de EU-rechtelijke vraag niet relevant was voor de uitkomst (Cilfit-doctrine)
- 5Verkorte motivering toegepast op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 wegens geen belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de Cilfit-doctrine bij het afzien van prejudiciële verwijzing in asielzaken, waarbij een EU-rechtelijke vraag over het geloofwaardigheidskader onbeantwoord blijft omdat zij niet dragend is voor de zaak. De verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt toegepast.
Praktische impact
Voor appellant betekent de bevestiging dat zijn asielverzoek definitief is afgewezen en hij geen verblijfsrecht verkrijgt op grond van de gestelde problemen wegens demonstratiebetrokkenheid. De uitkomst illustreert dat wisselende en inconsistente verklaringen in de asielprocedure doorslaggevend kunnen zijn, ook bij ontbreken van documenten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke procedures wordt bevestigd dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van asielrelazen primair steunt op de samenhang en consistentie van verklaringen, en dat documentgebrek secundair is. Dit heeft betekenis voor de praktijk van IND-besluitvorming en rechtsbijstand in asielzaken.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2026 staat het hoger beroep van een vreemdeling centraal tegen de afwijzing van zijn asielverzoek door de minister. Appellant had gesteld problemen te hebben ondervonden wegens zijn betrokkenheid bij een demonstratie, maar de minister oordeelde dat zijn verklaringen hierover wisselend en niet samenhangend waren, en daarmee ongeloofwaardig. De rechtbank bevestigde dit standpunt, waarna appellant in hoger beroep ging. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Centraal staat dat appellant tegenstrijdig heeft verklaard over zijn precieze rol bij de demonstratie, en dat zijn verklaringen bij een algehele beoordeling van alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang niet aannemelijk zijn bevonden. De Afdeling benadrukt uitdrukkelijk dat het ontbreken van documenten níet de dragende grond was voor de ongeloofwaardigheidsbeoordeling, maar dat dit oordeel zelfstandig steunt op de inconsistente verklaringen van appellant zelf. Appellant had voorts de vraag opgeworpen of het gehanteerde toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met de Unierechtelijke verplichting om alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang te bezien. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU, nu beantwoording van die vraag niet noodzakelijk is voor de oplossing van de zaak. Hierbij verwijst de Afdeling naar de vaste Cilfit-rechtspraak van het HvJ EU. De zaak wordt afgedaan met de verkorte motivering van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.