JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4198Laag12/100

Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:4198, Raad van State, 21-07-2026, BRS.26.003173

Raad van StateUitspraak: 21 juli 2026Publicatie: 16 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.003173
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vreemdelingenbewaring
Verkorte Motivering
Artikel 91 Vw2000
Hoger Beroep Ongegrond
Remling Arrest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling (appellant) heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. Hij werd bijgestaan door een advocaat in Haarlem en betwistte de rechtmatigheid van zijn bewaring.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard bewaringsuitspraak met verkorte motivering zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de zaak heeft enkel individuele betekenis voor de appellant.

Belangrijkste punten

  • 1De Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe (verkorte motivering) omdat geen rechtseenheidsvragen spelen
  • 2Ook geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht conform HvJEU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243)
  • 3De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten
  • 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
  • 5Bevestiging van de aangevallen uitspraak zonder inhoudelijke heroverweging door de Afdeling

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak is een standaard toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en bevestigt dat het Remling-arrest van het HvJEU (2026) mede bepalend is voor de vraag of Unierechtelijke vragen verplichte nadere motivering vereisen.

Praktische impact

Voor appellant betekent dit dat de bewaring rechtmatig blijft en hij geen schadevergoeding of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitkomst biedt geen verlichting van zijn detentiesituatie.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de bestendige lijn dat de Afdeling bij bewaringsgeschillen snel gebruik maakt van de verkorte motivering als geen wezenlijke rechtsvragen spelen.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2026 betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een rechtbankuitspraak waarin zijn bewaring rechtmatig werd geoordeeld. De appellant, bijgestaan door mr. E. Schoneveld te Haarlem, stelde hoger beroep in en betwistte kennelijk de rechtmatigheid van zijn inbewaringstelling. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht de bewaring als rechtmatig had aangemerkt, en of de Afdeling aanleiding zag de uitspraak te vernietigen of ambtshalve de onrechtmatigheid van de bewaring vast te stellen. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is. Zij neemt de motivering van de rechtbank volledig over en past de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit houdt in dat nadere motivering achterwege blijft omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Daarnaast zijn er geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals vereist door het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Ook ambtshalve ziet de Afdeling geen grond om de bewaring onrechtmatig te achten. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer. Voor appellant heeft de beslissing tot gevolg dat zijn bewaring van kracht blijft en dat hij geen aanspraak kan maken op proceskostenvergoeding. De uitspraak heeft geen bredere precedentwerking en illustreert de gebruikelijke afhandeling van bewaringszaken waarin geen wezenlijke rechtsvragen aan de orde zijn.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 30 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen