Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4198, Raad van State, 21-07-2026, BRS.26.003173
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. Hij werd bijgestaan door een advocaat in Haarlem en betwistte de rechtmatigheid van zijn bewaring.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard bewaringsuitspraak met verkorte motivering zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de zaak heeft enkel individuele betekenis voor de appellant.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe (verkorte motivering) omdat geen rechtseenheidsvragen spelen
- 2Ook geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht conform HvJEU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243)
- 3De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 5Bevestiging van de aangevallen uitspraak zonder inhoudelijke heroverweging door de Afdeling
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak is een standaard toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en bevestigt dat het Remling-arrest van het HvJEU (2026) mede bepalend is voor de vraag of Unierechtelijke vragen verplichte nadere motivering vereisen.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat de bewaring rechtmatig blijft en hij geen schadevergoeding of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitkomst biedt geen verlichting van zijn detentiesituatie.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de bestendige lijn dat de Afdeling bij bewaringsgeschillen snel gebruik maakt van de verkorte motivering als geen wezenlijke rechtsvragen spelen.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2026 betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een rechtbankuitspraak waarin zijn bewaring rechtmatig werd geoordeeld. De appellant, bijgestaan door mr. E. Schoneveld te Haarlem, stelde hoger beroep in en betwistte kennelijk de rechtmatigheid van zijn inbewaringstelling. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht de bewaring als rechtmatig had aangemerkt, en of de Afdeling aanleiding zag de uitspraak te vernietigen of ambtshalve de onrechtmatigheid van de bewaring vast te stellen. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is. Zij neemt de motivering van de rechtbank volledig over en past de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit houdt in dat nadere motivering achterwege blijft omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Daarnaast zijn er geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zoals vereist door het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Ook ambtshalve ziet de Afdeling geen grond om de bewaring onrechtmatig te achten. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer. Voor appellant heeft de beslissing tot gevolg dat zijn bewaring van kracht blijft en dat hij geen aanspraak kan maken op proceskostenvergoeding. De uitspraak heeft geen bredere precedentwerking en illustreert de gebruikelijke afhandeling van bewaringszaken waarin geen wezenlijke rechtsvragen aan de orde zijn.