Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:4197, Raad van State, 20-07-2026, BRS.26.002985
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 1 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van de zaak
Een appellant, bijgestaan door een advocaat uit Leeuwarden, heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De zaak betreft een geschil met de minister over een vreemdelingenrechtelijke kwestie. De rechtbank had eerder al in het nadeel van appellant beslist.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling past de verkorte afdoening toe op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen stelt die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard verkorte afdoening zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling; de uitkomst is zaakspecifiek en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 4.4 en 6.4) integraal over.
- 2Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte motivering zonder inhoudelijke bespreking van de gronden.
- 3Geen Unierechtelijke vragen aanwezig die nadere uitleg of geldigheidstoetsing vereisen (conform arrest Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5Enkelvoudige kamer; standaard afdoeningsprocedure voor niet-principiële vreemdelingenzaken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft beperkte juridische impact; het betreft een routinematige toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsontwikkeling. Het verwijst wel naar het recente HvJ-arrest Remling (2026) als maatstaf voor de Unierechtelijke vraagtoets.
Praktische impact
Voor appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat zijn rechtspositie in Nederland niet verbetert op grond van deze procedure. Er is geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de vaste praktijk van de RvS om niet-principiële hoger beroepen snel en zonder uitgebreide motivering af te doen, wat de doorlooptijd beperkt houdt.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 juli 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant had, bijgestaan door een advocaat uit Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen een voor hem ongunstige uitspraak in een vreemdelingenrechtelijke procedure tegen de minister. De inhoud van het geschil — vermoedelijk een verblijfsrechtelijke kwestie op grond van de Vreemdelingenwet 2000 — wordt in de gepubliceerde uitspraak niet verder uitgewerkt, omdat de Afdeling gebruik heeft gemaakt van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91, tweede lid, Vw 2000. Op grond van deze bepaling hoeft de Afdeling haar oordeel niet nader te motiveren wanneer het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienen te worden. De Afdeling stelde vast dat hiervan geen sprake was. Tevens werd getoetst of het hogerberoepschrift vragen deed rijzen over de uitleg of geldigheid van bepalingen van Unierecht, zoals vereist op basis van het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Ook dat bleek niet het geval. De motivering van de rechtbank onder overwegingen 4.4 en 6.4 werd integraal overgenomen. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is een routinebeslissing zonder zelfstandige precedentwerking, maar illustreert de consequente toepassing van de versnelde afdoeningssystematiek in het vreemdelingenrecht en de integratie van het Remling-toetsingskader in de Nederlandse hogerberoepspraktijk.