JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4193Laag22/100

Bewaring vreemdeling rechtmatig, hoger beroep ongegrond

ECLI:NL:RVS:2026:4193, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.000974

Raad van StateUitspraak: 17 juli 2026Publicatie: 16 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.000974
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Vreemdelingenbewaring
Prejudiciele Vragen
Artikel 91 Vw2000
Effectieve Rechtsbescherming
Bewaringsrechter

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling (appellant) stelt hoger beroep in tegen een rechterlijke uitspraak die zijn bewaring rechtmatig achtte. Hij voert aan dat geen sprake is van effectieve rechtsbescherming omdat de bewaringsrechter het strafrechtelijk voortraject niet toetst.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat de bewaringsrechter niet buiten de omvang van het geding mag treden om het strafrechtelijk voortraject te toetsen, en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen feitelijke toegang heeft tot de straf- of civiele rechter.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak bevestigt reeds bestaande jurisprudentie van de Afdeling en stelt geen nieuwe rechtsregels vast; de vereenvoudigde afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 onderstreept het gebrek aan rechtsontwikkelingsbetekenis.

Belangrijkste punten

  • 1De bewaringsrechter mag op grond van EU-rechtspraak (HvJ C, B en X, 2022) het strafrechtelijk voortraject niet ambtshalve toetsen.
  • 2Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen feitelijke toegang heeft tot de strafrechtelijke of civiele procedure.
  • 3Er bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, nu de rechtsvraag reeds beantwoord kan worden aan de hand van bestaande HvJ-rechtspraak (Cilfit, Consorzio, Remling).
  • 4De Afdeling past de vereenvoudigde motiveringsplicht toe ex artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen spelen.
  • 5Ambtshalve ziet de Afdeling evenmin reden de bewaring onrechtmatig te achten.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat de bewaringsrechter in vreemdelingenzaken niet bevoegd is het strafrechtelijk voortraject te toetsen en dat effectieve rechtsbescherming geborgd is via andere rechterlijke wegen. Er worden geen nieuwe prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

Praktische impact

Voor de appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat zijn bewaring in stand blijft en hij proceskosten noch schadevergoeding ontvangt. Vreemdelingen die de rechtmatigheid van een strafrechtelijk voortraject willen aanvechten, dienen zich te wenden tot de straf- of burgerlijke rechter.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenbewaringszaken blijft de toetsing door de bewaringsrechter beperkt tot de rechtmatigheid van de bewaring zelf; het strafrechtelijk voortraject valt buiten zijn competentie.

Samenvatting

In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn bewaring rechtmatig had geoordeeld. De kern van het betoog was dat geen sprake zou zijn van effectieve rechtsbescherming, omdat de bewaringsrechter weigert het strafrechtelijk voortraject te toetsen op rechtmatigheid. De Afdeling verwerpt dit betoog en bevestigt de aangevallen uitspraak. Zij verwijst daartoe naar haar eigen uitspraak van 20 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5013), waarin al werd vastgesteld dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 (C, B en X) niet volgt dat de bewaringsrechter buiten de omvang van het geding mag treden om het strafrechtelijk voortraject te beoordelen. De rechtsbescherming is in dat geval gewaarborgd via de strafrechter of, indien deze wettelijk niet bevoegd is, via de burgerlijke rechter. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tot die procedures geen feitelijke toegang heeft. Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, oordeelt de Afdeling dat de opgeworpen rechtsvraag reeds beantwoord kan worden aan de hand van de bestaande rechtspraak van het Hof, waaronder de arresten Cilfit (1982), Consorzio Italian Management (2021) en Remling (2026). Er bestaat dus geen noodzaak tot verwijzing. De Afdeling past de vereenvoudigde motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 toe, nu het hogerberoepschrift geen vragen oproept die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming beantwoord moeten worden. Ambtshalve ziet de Afdeling evenmin reden de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond, de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied