Raad van State: proceskosten asielzoekers alsnog toegewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4191, Raad van State, 16-07-2026, 202306519/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 21 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Kern van de zaak
Afghaanse asielzoekers dienden een ingebrekestelling in op 14 maart 2023 wegens het uitblijven van beslissingen op hun asielaanvragen van augustus 2021. De rechtbank verklaarde hun beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat de beslistermijn door WBV 2022/22 zou zijn verlengd tot 28 mei 2023. Appellanten bestreden in hoger beroep uitsluitend de afwijzing van de proceskostenvergoeding.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de proceskostenvergoeding werd afgewezen. De minister wordt alsnog veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, omdat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden via WBV 2022/22 — in het licht van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie — niet als rechtmatig kan worden beschouwd op de wijze waarop de rechtbank dat aannam.
Impactscore
MiddelDe zaak heeft praktisch belang voor een specifieke groep Afghaanse asielzoekers en raakt aan een bredere rechtsvraag over WBV 2022/22, maar de beslissing is beperkt tot de proceskostenvergoeding en de fundamentele rechtsvraag wordt afgewacht via de prejudiciële procedure bij het HvJ.
Belangrijkste punten
- 1Asielaanvragen ingediend op 28 augustus 2021; wettelijke beslistermijn van zes maanden liep tot 28 februari 2022.
- 2Het besluit- en vertrekmoratorium Afghanistan verlengde de beslistermijn rechtmatig tot 28 februari 2023; dit is niet in geschil.
- 3De rechtbank oordeelde dat WBV 2022/22 de termijn rechtmatig met negen maanden verlengde tot 28 mei 2023, waardoor de ingebrekestelling van 14 maart 2023 te vroeg zou zijn.
- 4De Afdeling had op 8 november 2023 prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ over de rechtmatigheid van de verlenging via WBV 2022/22; dit ondermijnt het oordeel van de rechtbank.
- 5Het hoger beroep slaagt uitsluitend op het punt van de proceskostenvergoeding; de Afdeling past wegingsfactor 0,5 toe.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt dat de rechtmatigheid van termijnverlengingen via WBV 2022/22 betwistbaar is zolang prejudiciële vragen bij het HvJ lopen, en dat een ingebrekestelling ingediend vóór de verlenging via WBV 2022/22 niet zonder meer als te vroeg kan worden afgedaan.
Praktische impact
Asielzoekers van wie de ingebrekestelling werd ingediend vóór 28 mei 2023 en wiens beroep niet-ontvankelijk werd verklaard op basis van WBV 2022/22, kunnen mogelijk aanspraak maken op proceskostenvergoeding als de uitkomst van de prejudiciële procedure hen daartoe de ruimte geeft.
Onderwerp-impact
Voor de vreemdelingenrechtpraktijk benadrukt deze zaak dat beslistermijnverlengingen in asielzaken via beleidswijzigingen (WBV's) juridisch kwetsbaar zijn en niet automatisch leiden tot niet-ontvankelijkheid van ingebrekestellingen.
Samenvatting
In deze zaak gaat het om Afghaanse asielzoekers die op 28 augustus 2021 een asielaanvraag indienden. Na het uitblijven van een beslissing stelden zij op 14 maart 2023 de minister in gebreke. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, omdat de beslistermijn via het besluit- en vertrekmoratorium Afghanistan eerst was verlengd tot 28 februari 2023 en vervolgens via WBV 2022/22 nogmaals met negen maanden, tot 28 mei 2023. De ingebrekestelling was daarmee volgens de rechtbank te vroeg ingediend. Het verzoek om vergoeding van proceskosten werd eveneens afgewezen. In hoger beroep bestreden appellanten uitsluitend de afwijzing van de proceskostenvergoeding, en betoogden zij dat de verlenging via WBV 2022/22 niet rechtmatig was. De Raad van State stelt vast dat de Afdeling zelf op 8 november 2023 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de vraag of de minister de beslistermijn via WBV 2022/22 rechtmatig met negen maanden heeft mogen verlengen. Dit gegeven ondergraaft het oordeel van de rechtbank dat de ingebrekestelling zonder meer te vroeg was ingediend. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank op het punt van de proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in zowel beroep als hoger beroep, met toepassing van wegingsfactor 0,5. De zaak illustreert de spanning tussen nationale termijnverlengingen via beleidswijzigingen en Europeesrechtelijke eisen aan asielaanvragen. Zolang de prejudiciële procedure loopt, kunnen rechters de rechtmatigheid van WBV 2022/22 niet als vaststaand aannemen. Dit heeft gevolgen voor vergelijkbare zaken waarin ingebrekestellingen werden ingediend in dezelfde periode.