Hoger beroep vreemdelingenbewaring niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:419, Raad van State, 28-01-2026, BRS.26.000062
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij besluit van 15 december 2025 heeft de minister de termijn van de aan betrokkene opgelegde maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste drie maanden.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een rechtbankuitspraak over de verlenging van zijn maatregel van bewaring. De advocaat voerde geen inhoudelijke gronden aan waarom de rechtbankuitspraak onjuist zou zijn.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is deels niet-ontvankelijk en deels buiten de bevoegdheid van de Afdeling verklaard. Voor het onderdeel over de verlenging van de bewaring is hoger beroep wettelijk uitgesloten (art. 84 Vw 2000), en voor het overige ontbreken inhoudelijke grieven zoals vereist door art. 85 Vw 2000.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande, vaste wettelijke regels toe zonder nieuwe rechtsontwikkeling; het betreft een enkelvoudige kamer en een routinematige procedurele afdoening.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep tegen verlenging van vreemdelingenbewaring is wettelijk uitgesloten op grond van artikel 84 aanhef en onder a Vw 2000
- 2De Afdeling verklaart zich onbevoegd voor het onderdeel betreffende de verlenging van de maatregel van bewaring
- 3Voor het overige ontbreken grieven: appellant legt niet uit waarom de rechtbankuitspraak onjuist is
- 4Zonder inhoudelijke gronden kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven (art. 85 Vw 2000)
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat hoger beroep tegen verlengingsbeslissingen van vreemdelingenbewaring wettelijk is uitgesloten en dat het ontbreken van grieven leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit is een standaardtoepassing van de Vreemdelingenwet 2000.
Praktische impact
Voor de appellant betekent dit dat de rechtbankuitspraak onherroepelijk wordt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Er is geen verdere rechtsmiddel meer beschikbaar voor de betwiste onderdelen.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaringszaken benadrukt deze uitspraak het belang van het tijdig en inhoudelijk onderbouwen van hoger beroepsgronden, nu procedurevereisten strikt worden gehandhaafd.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door een advocaat uit Arnhem, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Die rechtbankuitspraak had onder meer betrekking op de verlenging van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De centrale juridische vraag was of de Afdeling bevoegd en ontvankelijk was om van dit hoger beroep kennis te nemen. Ten aanzien van het onderdeel dat zag op de verlenging van de bewaring, stelde de Afdeling vast dat artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 hoger beroep hiertegen uitdrukkelijk uitsluit. De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd voor dit deel van het hoger beroep. Voor het overige deel van het hoger beroep gold dat appellant in het geheel niet had uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem onjuist zou zijn. Het vereiste van artikel 85 Vw 2000 schrijft voor dat een hogerberoepschrift de gronden moet bevatten. Nu die ontbraken, was de Afdeling niet in staat een inhoudelijk oordeel te geven. Het hoger beroep werd daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling oordeelde verder dat de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en is een standaard procedurele afdoening die geen nieuwe rechtsontwikkeling inhoudt, maar de bekende wettelijke beperkingen op het instellen van hoger beroep in vreemdelingenbewaringszaken bevestigt. Voor de appellant heeft de uitspraak als praktisch gevolg dat de rechtbankuitspraak onherroepelijk is geworden.