Verzet tegen onbevoegdverklaring Afdeling ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4188, Raad van State, 22-07-2026, 202505467/2/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het verzet richt zich tegen de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van 19 december 2025 in zaak nr. 202505467/1/A2. Bij die uitspraak heeft de Afdeling zich na vereenvoudigde behandeling kennelijk onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep van [opposant] tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023. Tegen deze uitspraak heeft [opposant] verzet gedaan. De Afdeling overweegt in deze uitspraak ambtshalve het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, en de in deze uitspraak genoemde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens), is in een bestuursrechtelijke procedure eenieder die daarin een rol heeft, waaronder de rechtszoekende, gebonden aan het beginsel van behoorlijke procesvoering. Dat beginsel houdt onder meer in dat zowel schriftelijk als mondeling het debat met elkaar gevoerd moet worden op een fatsoenlijke manier, zonder daarbij gebruik te maken van ongepaste, beledigende en dreigende teksten en/of uitlatingen. Het verzetschrift van [oppasant] bevat een groot aantal passages met ongepaste, beledigende en dreigende teksten.
Kern van de zaak
Een opposant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nadat de Centrale Raad van Beroep zijn eerdere hoger beroep niet-ontvankelijk had verklaard. De Afdeling verklaarde zich onbevoegd omdat opposant geen kopie overlegde van de aangevochten uitspraak en omdat de Awb geen hoger beroep kent tegen uitspraken van een andere hogerberoepsrechter. De opposant stelde vervolgens verzet in tegen deze vereenvoudigde behandeling.
Beslissing van de rechter
Het verzet is ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelde terecht en zonder ruimte voor twijfel dat zij niet bevoegd is: de opposant had geen kopie van de relevante uitspraak overgelegd én de Awb biedt geen grondslag voor hoger beroep tegen uitspraken van een andere hogerberoepsrechter zoals de Centrale Raad van Beroep.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand procesrecht toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden of koerswijzigingen aan te brengen; het betreft een individuele procedurele afdoening zonder precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Verzet in de zin van artikel 8:54 Awb dient uitsluitend ter beoordeling of de vereenvoudigde behandeling ten onrechte heeft plaatsgevonden.
- 2De term 'kennelijk' bij onbevoegdverklaring vereist dat er geen twijfel mogelijk is over de onbevoegdheid van de rechter.
- 3De Awb voorziet niet in hoger beroep tegen uitspraken van een andere hogerberoepsrechter (zoals de Centrale Raad van Beroep).
- 4Het niet overleggen van de aangevochten uitspraak verhindert vaststelling van de bevoegdheid van de Afdeling.
- 5Nieuwe feiten en argumenten in verzet mogen worden meegenomen, maar opposant heeft geen relevante nieuwe argumenten aangevoerd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de Awb geen hoger beroep toelaat tegen uitspraken van een andere hogerberoepsrechter, en verduidelijkt de beoordelingsmaatstaf bij verzet tegen een 'kennelijk'-onbevoegdverklaring. De impact is beperkt omdat het een toepassing van bestaand procesrecht betreft.
Praktische impact
Voor de opposant betekent dit dat zijn zaak definitief niet inhoudelijk wordt behandeld door de Afdeling. Procespartijen worden gewaarschuwd dat het niet overleggen van processtukken en het verkeerd adresseren van rechtsmiddelen direct tot niet-ontvankelijkheid of onbevoegdverklaring leidt.
Onderwerp-impact
In het bestuursrechtelijk procesrecht wordt opnieuw bevestigd dat de bevoegdheidsverdeling tussen de hogerberoepsrechters (Afdeling versus Centrale Raad van Beroep) strikt wordt gehandhaafd en niet via een verzetprocedure kan worden omzeild.
Samenvatting
In deze verzetprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State staat centraal of het hoger beroep van opposant ten onrechte via een vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 Awb) is afgedaan met een onbevoegdverklaring. De voorgeschiedenis is als volgt: de rechtbank Gelderland deed in 2023 uitspraak in een zaak waarbij opposant betrokken was. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep daartegen in 2024 na vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijk, welk oordeel na verzet in 2025 in stand bleef. Vervolgens stelde opposant hoger beroep in bij de Afdeling, die zich zonder zitting onbevoegd verklaarde. De Afdeling deed dit op twee gronden: opposant had geen kopie van de aangevochten uitspraak overgelegd waardoor bevoegdheid niet kon worden vastgesteld, en de Awb kent simpelweg geen hoger beroepsmogelijkheid tegen uitspraken van een andere hogerberoepsrechter zoals de Centrale Raad van Beroep. In de verzetprocedure beoordeelt de rechter of de onbevoegdverklaring terecht was én of daar inderdaad geen twijfel over mogelijk is. Nieuwe feiten en argumenten mogen daarbij worden betrokken. De Afdeling stelt vast dat opposant in zijn verzetschrift noch ter zitting argumenten heeft aangedragen die afbreuk doen aan de onbevoegdverklaring. Het eerdere wrakingsverzoek van een kamer was al bij uitspraak van 29 mei 2026 afgewezen en vormt geen belemmering voor de verdere behandeling. Het verzet wordt ongegrond verklaard. De uitspraak heeft geen bijzondere precedentwerking en bevestigt enkel de strikte bevoegdheidsverdeling binnen het bestuursprocesrecht: hoger beroep staat uitsluitend open tegen uitspraken van de daartoe aangewezen rechter, en een partij die nalaat processtukken over te leggen, kan de gevolgen daarvan niet via een verzetprocedure ongedaan maken.