Raad van State: Dublinbewaring rechtmatig ondanks verlopen termijn
ECLI:NL:RVS:2026:4186, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.001149
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling werd op grond van artikel 59a Vw 2000 in Dublinbewaring gesteld. De rechtbank oordeelde dat de overdrachtstermijn al verlopen was en de bewaring daardoor onrechtmatig was. De minister ging in hoger beroep omdat de verlengde overdrachtstermijn in rechte onaantastbaar was geworden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard en het beroep van betrokkene is alsnog ongegrond verklaard; het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn formele rechtskracht had gekregen doordat geen beroep werd ingesteld, zodat de rechtbank van de rechtmatigheid daarvan had moeten uitgaan.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is bevestigend van aard en past binnen een reeds ingezette lijn van de Afdeling; zij heeft beperkte zelfstandige precedentwerking maar is wel relevant voor de rechtspraktijk in Dublinbewaringszaken.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank mocht geen inhoudelijk oordeel geven over het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, omdat dat besluit formele rechtskracht had gekregen.
- 2Slechts in uitzonderlijke gevallen kan van het uitgangspunt van formele rechtskracht worden afgeweken, zoals wanneer aan de vreemdeling niet kan worden toegerekend dat hij geen beroep heeft ingesteld.
- 3Die uitzonderingssituatie deed zich niet voor: er was geen toedoen van de minister noch een erkenning van onrechtmatigheid.
- 4Omdat de overdrachtstermijn rechtsgeldig was verlengd tot achttien maanden, was een Dublinoverdracht ten tijde van de inbewaringstelling nog mogelijk.
- 5De Afdeling sluit aan bij haar eerdere uitspraak ECLI:NL:RVS:2025:4059 over de grenzen van rechterlijke toetsing van besluiten met formele rechtskracht in vreemdelingenbewaringszaken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat besluiten tot verlenging van de Dublintermijn die in rechte onaantastbaar zijn geworden, ook in bewaringsprocedures niet inhoudelijk kunnen worden aangevochten, tenzij sprake is van erkende uitzonderingsgronden. Dit sluit aan bij de lijn die de Afdeling eerder in 2025 uitzette.
Praktische impact
Vreemdelingen die geen beroep instellen tegen een verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn, kunnen de rechtmatigheid daarvan in een latere bewaringsprocedure in beginsel niet meer aanvechten, wat de mogelijkheden om bewaring te bestrijden beperkt.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht worden de procedurele drempels voor het bestrijden van Dublinbewaring verder verduidelijkt: tijdig aanvechten van voorafgaande besluiten is essentieel om latere inbewaringstelling te kunnen aanvechten.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een rechtbank in een bewaringsprocedure inhoudelijk mag toetsen of een eerder besluit tot verlenging van de Dublintransferdeadline rechtmatig was. De vreemdeling was door de minister in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Dublinbewaring). De minister had de overdrachtstermijn eerder verlengd tot achttien maanden, omdat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) oordeelde dat de overdrachtstermijn al op 20 december 2024 was verlopen en dat de verlenging op 13 oktober 2025 te laat was, zodat betrokkene niet meer onder de Dublinverordening viel en de bewaring onrechtmatig was. De Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak) draait dit oordeel terug. De Afdeling stelt vast dat het verlengingsbesluit van 13 oktober 2025 formele rechtskracht heeft gekregen, omdat de vreemdeling daartegen geen beroep heeft ingesteld. De rechtbank had daarom van de rechtmatigheid van dat besluit moeten uitgaan en mocht het niet alsnog inhoudelijk beoordelen. Alleen in uitzonderlijke gevallen is afwijking van dit beginsel mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de betrokkene door toedoen van de overheid geen beroep kon instellen, of wanneer de minister de onrechtmatigheid heeft erkend. Geen van beide situaties deed zich hier voor. Nu de verlenging van de overdrachtstermijn als rechtmatig moet worden aangemerkt, was een Dublinoverdracht ten tijde van de inbewaringstelling nog steeds mogelijk, en was de bewaring op grond van artikel 59a Vw 2000 rechtmatig opgelegd. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De uitspraak sluit nauw aan bij ECLI:NL:RVS:2025:4059.