JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4181Hoog62/100

RvS: terugkeerbesluit vereist illegaal verblijf in uitvaardigende lidstaat

ECLI:NL:RVS:2026:4181, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.000190

Raad van StateUitspraak: 17 juli 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.000190
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Terugkeerrichtlijn
Terugkeerbesluit
Sis Signalering
Verblijfsvergunning Studie
Territoriale Bevoegdheid

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 27 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

Kern van de zaak

Een Bengaalse student wiens verblijfsvergunning voor studie in Nederland werd ingetrokken wegens onvoldoende studievoortgang, had zich inmiddels verplaatst naar Portugal. De minister vaardigde toch een terugkeerbesluit en SIS-signalering uit. Appellant bestreed dit besluit omdat hij niet (meer) illegaal op Nederlands grondgebied verbleef.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is gegrond verklaard. De Raad van State heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het terugkeerbesluit alsmede de SIS-signalering herroepen, omdat voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit vereist is dat de vreemdeling illegaal verblijft op het grondgebied van de lidstaat die het besluit neemt.

62van 100

Impactscore

Hoog

De Raad van State formuleert een duidelijke rechtsregel over de territoriale bevoegdheidsgrondslag voor terugkeerbesluiten onder de EU-Terugkeerrichtlijn, met directe gevolgen voor de uitvoeringspraktijk van de IND. De uitspraak is gezaghebbend maar bouwt primair voort op bestaande HvJEU-jurisprudentie.

Belangrijkste punten

  • 1Illegaal verblijf in de uitvaardigende lidstaat is een constitutief vereiste voor een rechtsgeldig terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
  • 2Verblijf op het grondgebied van een andere EU-lidstaat (hier Portugal) volstaat niet voor Nederland om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
  • 3De Afdeling baseert zich op HvJEU-arresten M.D. (C-2023:341) en Affum (C-2016:408) en het Terugkeerhandboek.
  • 4De SIS-signalering die voortvloeit uit het onrechtmatig terugkeerbesluit is eveneens herroepen.
  • 5De rechtbank Den Haag had ten onrechte geoordeeld dat louter verblijf ergens in de EU voldoende is voor bevoegdheid van de minister.

Impactanalyse

Juridische impact

Deze uitspraak van de Raad van State verduidelijkt dat de bevoegdheid van een lidstaat om een terugkeerbesluit te nemen territoriaal begrensd is: de vreemdeling moet op het moment van het besluit illegaal verblijven in die specifieke lidstaat. Dit beperkt de reikwijdte van het nationale terugkeerbeleid ten aanzien van vreemdelingen die reeds naar een andere lidstaat zijn vertrokken.

Praktische impact

Voor vreemdelingen wier verblijfsvergunning wordt ingetrokken maar die al naar een andere EU-lidstaat zijn verhuisd, biedt deze uitspraak bescherming tegen een Nederlands terugkeerbesluit en bijbehorende SIS-signalering. Uitvoeringsinstanties dienen voortaan de feitelijke verblijfplaats vast te stellen vóór het nemen van een terugkeerbesluit.

Onderwerp-impact

In het vreemdelingenrecht en het toepassing van de Terugkeerrichtlijn geldt nu explicieter dat de territoriale nexus met de uitvaardigende lidstaat op het beslismoment aanwezig moet zijn, wat gevolgen heeft voor de administratieve praktijk bij intrekking van verblijfsvergunningen.

Samenvatting

Deze zaak betreft een Bengaalse student die in Nederland een verblijfsvergunning voor studie had gekregen maar wiens vergunning werd ingetrokken wegens onvoldoende studievoortgang. Ten tijde van het intrekkingsbesluit van 27 maart 2024 had appellant zich echter al verplaatst naar Portugal. De minister vaardigde desondanks een terugkeerbesluit uit met een vertrekplicht van 28 dagen en registreerde appellant in het Schengeninformatiesysteem (SIS). Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, stellende dat hij niet langer illegaal op Nederlands grondgebied verbleef en dat Nederland daarom niet bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De rechtbank Den Haag verwierp dit betoog en oordeelde dat verblijf ergens op het grondgebied van de EU voldoende is voor de bevoegdheid van de minister, mede gelet op de doeltreffendheid van het EU-terugkeerbeleid. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit oordeel vernietigd. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie in de zaken M.D. (2023) en Affum (2016) en de relevante passages uit het Terugkeerhandboek, stelt de Afdeling vast dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt een noodzakelijke voorwaarde is. Nu appellant zich op het moment van het besluit in Portugal bevond en niet (meer) illegaal in Nederland verbleef, ontbrak de bevoegdheidsgrondslag voor de minister. De Afdeling verklaart het hoger beroep en het onderliggende beroep gegrond, vernietigt het besluit op bezwaar van 16 oktober 2024, en herroept het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. Deze uitspraak verduidelijkt dat de territoriale nexus met de uitvaardigende lidstaat een harde bevoegdheidseis is onder de Terugkeerrichtlijn, en legt daarmee een beperking op aan de reikwijdte van het nationale terugkeerbeleid bij vreemdelingen die reeds naar een andere EU-lidstaat zijn uitgeweken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 22 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4286Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4286, Raad van State, 22-07-2026, 202504375/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4268Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268, Raad van State, 22-07-2026, 202407951/1/R2

Raad van State22 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4282Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4282, Raad van State, 22-07-2026, 202500140/1/R4

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4270Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4270, Raad van State, 22-07-2026, 202402337/1/R3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied