Raad van State: Rechtbank onbevoegd in vreemdelingenzaak terugkeerbesluit
ECLI:NL:RVS:2026:4179, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.000352
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling had beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van 11 september 2024 inzake een terugkeerbesluit en SIS-signalering. De rechtbank Den Haag behandelde dit beroep, maar het besluit viel van rechtswege onder een lopend hoger beroep bij de Raad van State. De minister had het besluit niet doorgestuurd naar de Afdeling conform artikel 6:19 Awb.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 is vernietigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank onbevoegd was: het besluit van 11 september 2024 was een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb dat van rechtswege onderdeel werd van het reeds bij de Raad van State aanhangige hoger beroep, zodat uitsluitend de Afdeling bevoegd was hiervan kennis te nemen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie over de openbare-ordewerking van artikel 6:19 Awb en heeft geen nieuwe rechtsregel gesteld, maar is relevant voor de praktijk van bestuursorganen en rechtbanken in vreemdelingenzaken met lopende hoger beroepen.
Belangrijkste punten
- 1Het besluit van 11 september 2024 viel van rechtswege onder artikel 6:19, derde en vierde lid jo. 6:24 Awb en behoorde daarmee tot de bevoegdheid van de Raad van State als appelrechter.
- 2De bevoegdheidsregels van artikel 6:19 Awb zijn van openbare orde; de Afdeling beoordeelt dit ambtshalve, ook zonder dat partijen dit hebben aangevoerd.
- 3Noch de minister noch de rechtbank heeft het beroep doorgestuurd naar de Afdeling, wat resulteerde in een onbevoegde behandeling door de rechtbank.
- 4De Afdeling verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd en betrekt het besluit van 11 september 2024 zelf bij de behandeling van de lopende hoger beroepen.
- 5De minister wordt veroordeeld in de proceskosten vanwege het niet naleven van de doorzendverplichting.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt dat artikel 6:19 Awb van openbare orde is en dat nieuwe besluiten op bezwaar die worden genomen hangende hoger beroep automatisch toekomen aan de appelrechter, met als gevolg dat de lagere rechter onbevoegd is. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2023:4100).
Praktische impact
Bestuursorganen en rechtbanken dienen bij nieuwe besluiten op bezwaar hangende hoger beroep steeds te controleren of artikel 6:19 Awb van toepassing is en het besluit of beroep tijdig door te sturen naar de bevoegde appelrechter om bevoegdheidsconflicten te vermijden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met terugkeerbesluiten en SIS-signaleringen leidt dit tot verdere concentratie van de behandeling bij de Afdeling bestuursrechtspraak, wat de rechtsbescherming van vreemdelingen via één instantie bundelt maar ook vertraagd kan verlopen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de bevoegdheidsverdeling tussen de rechtbank en de Raad van State bij een nieuw besluit op bezwaar dat werd genomen hangende een hoger beroepsprocedure. De minister had op 11 september 2024 een nieuw besluit op bezwaar genomen inzake een terugkeerbesluit en SIS-signalering, nadat de rechtbank eerder op 3 juli 2024 uitspraak had gedaan. Tegen die eerdere uitspraak liepen al hoger beroepen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op grond van artikel 6:19, derde en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 Awb, valt een dergelijk nieuw besluit van rechtswege onder het reeds aanhangige hoger beroep bij de Afdeling. De centrale juridische vraag was of de rechtbank Den Haag bevoegd was om van het beroep tegen dit nieuwe besluit kennis te nemen. De Afdeling oordeelt ambtshalve — omdat de bevoegdheidsregels van artikel 6:19 Awb van openbare orde zijn — dat de rechtbank deze bevoegdheid ten onrechte aan zichzelf heeft toegeschreven. Noch de minister noch de rechtbank heeft het besluit of beroep conform de doorzendverplichting doorgestuurd naar de Afdeling. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 voor zover zij het beroep tegen het besluit van 11 september 2024 inhoudelijk heeft beoordeeld, en verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd. Het nieuwe besluit wordt betrokken bij de hoger beroepen die reeds bij de Afdeling aanhangig zijn. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt daarmee de vaste lijn in de jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:RVS:2023:4100) dat de concentratie van geschillen bij de appelrechter via artikel 6:19 Awb een harde procesrechtelijke norm is die niet door nalaten van partijen kan worden omzeild.