Terugkeerbesluit ongeldig: vreemdeling verblijft al in andere EU-lidstaat
ECLI:NL:RVS:2026:4178, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.000345
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een Bengaalse student wiens Nederlandse studievergunning werd ingetrokken wegens onvoldoende studievoortgang, was inmiddels naar Portugal verhuisd. De minister vaardigde desondanks een terugkeerbesluit en SIS-signalering uit. De vreemdeling bestreed dit omdat hij niet meer op Nederlands grondgebied verbleef.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard en het terugkeerbesluit inclusief de SIS-signalering is herroepen. De doorslaggevende reden is dat voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit vereist is dat de vreemdeling op dat moment illegaal verblijft op het grondgebied van de lidstaat die het besluit neemt; nu appellant al in Portugal verbleef, ontbrak die grondslag.
Impactscore
HoogDe Raad van State legt een duidelijke EU-rechtelijke grens bij de bevoegdheid van de Nederlandse minister inzake terugkeerbesluiten, met directe gevolgen voor de uitvoeringspraktijk in gevallen waarbij vreemdelingen naar andere lidstaten zijn vertrokken. De uitspraak heeft structurele betekenis maar is geen fundamenteel nieuw rechtsbeginsel op Hoge-Raad-niveau.
Belangrijkste punten
- 1Een terugkeerbesluit vereist illegaal verblijf op het grondgebied van de besluitnemende lidstaat op het moment van het besluit.
- 2De Raad van State volgt de lijn van HvJ EU-arresten M.D. (C-2023:341) en Affum (C-2016:408) en het Terugkeerhandboek.
- 3Verblijf elders in de EU op het moment van het terugkeerbesluit is onvoldoende grondslag voor de Nederlandse minister.
- 4De SIS-signalering vervalt eveneens nu het terugkeerbesluit wordt herroepen.
- 5De redenering van de rechtbank — dat vertrek naar een andere lidstaat het terugkeerbeleid niet mag ondermijnen — wordt door de Afdeling verworpen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de territorialiteitseis uit de Terugkeerrichtlijn strikt geldt: de Nederlandse minister mist bevoegdheid om een terugkeerbesluit te nemen jegens een vreemdeling die zich ten tijde van dat besluit niet op Nederlands grondgebied bevindt. Dit beperkt de mogelijkheden voor lidstaten om terugkeerbesluiten 'op afstand' te nemen.
Praktische impact
Vreemdelingen van wie de verblijfsvergunning wordt ingetrokken maar die vóór het terugkeerbesluit naar een andere EU-lidstaat zijn vertrokken, zijn in beginsel beschermd tegen een Nederlands terugkeerbesluit en bijbehorende SIS-signalering; de bevoegdheid verschuift dan naar de ontvangende lidstaat.
Onderwerp-impact
Voor de uitvoeringspraktijk van het vreemdelingenbeleid betekent dit dat de IND en de minister nauwkeurig moeten vaststellen waar een vreemdeling zich bevindt vóór het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, en dat sneller handelen of coördinatie met andere lidstaten noodzakelijk kan zijn.
Samenvatting
Een Bengaalse student had vanaf september 2022 een Nederlandse verblijfsvergunning voor studie. Omdat hij onvoldoende studievoortgang boekte, meldde de onderwijsinstelling hem af en trok de minister in april 2024 zijn vergunning in met terugwerkende kracht tot augustus 2023. Tegelijk werd een terugkeerbesluit genomen en werd de student gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS). Ten tijde van dit besluit verbleef de student echter al in Portugal. Hij maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de rechtbank Den Haag oordeelde dat het niet vereist is dat een vreemdeling zich op het moment van het terugkeerbesluit op het grondgebied van de besluitnemende lidstaat bevindt, mits hij nog ergens in de EU is. De rechtbank vreesde dat een strengere eis het terugkeerbeleid zou ondermijnen. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze redenering verworpen. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU — met name de arresten M.D. (2023) en Affum (2016) — en het Terugkeerhandboek, stelt de Afdeling vast dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt een constitutief vereiste is. Nu appellant zich op het relevante moment al legaal of in ieder geval niet meer op Nederlands grondgebied bevond maar in Portugal, ontbrak de bevoegdheidsgrondslag voor de minister. Het hoger beroep is dan ook gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het besluit op bezwaar vernietigd en het oorspronkelijke terugkeerbesluit herroepen voor zover daarin de vertrekplicht en de SIS-signalering waren opgenomen. De uitspraak benadrukt dat lidstaten hun terugkeerbevoegdheid territoriaal begrensd moeten uitoefenen en onderstreept het belang van tijdige actie voordat een vreemdeling naar een andere lidstaat vertrekt.