RvS: terugkeerbesluit vereist illegaal verblijf in uitvaardigende lidstaat
ECLI:NL:RVS:2026:4176, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.000186
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 1 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, haar opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en haar meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een Bengaalse vrouw met een Nederlandse verblijfsvergunning als gezinslid zag haar vergunning ingetrokken nadat haar echtgenoot stopte met studeren. De minister vaardigde een terugkeerbesluit en SIS-signalering uit, terwijl zij inmiddels naar Portugal was verhuisd. Appellant bestreed het terugkeerbesluit en de signalering omdat zij niet (meer) illegaal op Nederlands grondgebied verbleef.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard: de Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en herroept het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. Doorslaggevend is dat een terugkeerbesluit naar EU-recht vereist dat de betrokkene op het moment van uitvaardiging illegaal verblijft op het grondgebied van de lidstaat die het besluit neemt, wat hier niet het geval was.
Impactscore
HoogDe Raad van State stelt een duidelijke, uit EU-recht voortvloeiende bevoegdheidsgrens aan de uitvaardiging van terugkeerbesluiten door de Nederlandse minister, met directe gevolgen voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk van het terugkeer- en uitzettingsbeleid.
Belangrijkste punten
- 1Een terugkeerbesluit vereist dat de vreemdeling op het moment van uitvaardiging illegaal verblijft op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat (HvJ EU, M.D. 2023 en Affum 2016).
- 2Vertrek naar een andere EU-lidstaat voorafgaand aan het terugkeerbesluit staat aan de bevoegdheid van de minister in de weg om dat besluit te nemen.
- 3De rechtbank Den Haag had ten onrechte geoordeeld dat enkel verblijf op EU-grondgebied (niet noodzakelijk in Nederland) voldoende was.
- 4De SIS-signalering valt weg nu het terugkeerbesluit wordt herroepen.
- 5De Raad van State treedt met zijn uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit van 30 oktober 2024.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat de Terugkeerrichtlijn vereist dat illegaal verblijf plaatsvindt in de lidstaat die het terugkeerbesluit uitvaardigt; verblijf elders in de EU volstaat niet. Dit beperkt de bevoegdheid van de Nederlandse minister om terugkeerbesluiten te nemen ten aanzien van vreemdelingen die reeds zijn vertrokken naar een andere lidstaat.
Praktische impact
Vreemdelingen wier verblijfsvergunning wordt ingetrokken maar die vóór het terugkeerbesluit naar een andere EU-lidstaat zijn vertrokken, kunnen met succes de geldigheid van dat besluit en bijbehorende SIS-signalering aanvechten. Zij lopen niet het risico van een Uniebreed terugkeer- en inreisverbod op basis van een dergelijk besluit.
Onderwerp-impact
Voor de uitvoeringspraktijk van het Nederlandse vreemdelingenbeleid betekent dit dat de IND en de minister bij de voorbereiding van terugkeerbesluiten actief moeten vaststellen of de betrokkene nog daadwerkelijk illegaal op Nederlands grondgebied verblijft, op straffe van vernietiging van het besluit.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Bengaalse vrouw die op basis van gezinshereniging een Nederlandse verblijfsvergunning had gekregen, maar wier vergunning werd ingetrokken nadat haar echtgenoot zijn studie had gestaakt. De minister vaardigde op 1 mei 2024 een terugkeerbesluit uit en signaleerde haar in het Schengeninformatiesysteem. Appellant bestreed dit besluit en de signalering, omdat zij op dat moment niet meer in Nederland woonde maar naar Portugal was verhuisd. De rechtbank Den Haag oordeelde in eerste aanleg dat verblijf op het grondgebied van de EU als geheel voldoende was voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit door de Nederlandse minister, en dat het terugkeerbesluit rechtsgeldig was. De Raad van State verwerpt dit oordeel. Op grond van het Unierechtelijke kader van de Terugkeerrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in de arresten M.D. (2023) en Affum (2016) en nader toegelicht in het Terugkeerhandboek, is vereist dat de betrokken vreemdeling op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit illegaal verblijft op het grondgebied van de lidstaat die dat besluit uitvaardigt. Nu appellant ten tijde van het besluit niet (langer) illegaal in Nederland verbleef, ontbeerde de minister de bevoegdheid om het terugkeerbesluit te nemen. Het argument dat een andere uitleg afbreuk zou doen aan de doeltreffendheid van het EU-terugkeerbeleid, doet hier niet aan af: het EU-recht laat geen ruimte voor een ruimere nationale bevoegdheid. De Raad van State verklaart het hoger beroep en het beroep gegrond, vernietigt de uitspraken van de rechtbank en het besluit van de minister, en herroept het terugkeerbesluit inclusief de SIS-signalering. Deze uitspraak heeft praktische betekenis voor alle gevallen waarin vreemdelingen vóór het terugkeerbesluit naar een andere lidstaat zijn vertrokken.